De dood van het kruis

De dood betekent vernedering, in welke vorm hij ook maar intreedt. Dood is onafscheidelijk verbonden met zonde.
Voor Christus, Die niet alleen overvloedig leven in Zichzelf had, maar ook doden in het leven terugriep, was de smaad nog veel groter.
Wij weten, dat Zijn dood volkomen vrijwillig was. De Joden noch de Romeinen konden Hem Zijn leven afnemen. Wat voor schande Zijn dood Hem ook bracht, Hij nam deze uit vrije verkiezing op Zich. Hij vernederde Zichzelf. Hij stierf uit gehoorzaamheid aan Zijn God en Vader. De mensen waren slechts het uitvoerend werktuig.

De smaad van Zijn dood werd nog vermeerderd door de vernedering, die met het kruis is verbonden. Zijn manier van sterven wierp Hem in de diepste afgrond van schande en uiterste treurigheid.
Er zijn manieren van sterven, die omgeven zijn door een stralenkrans en die door medemensen als iets bijzonders worden beschouwd, wat hun bewondering en eerbied wekt. De dood aan het kruis hoort daar niet bij. De kruisiging is een wijze van terechtstelling voor de minste en laagste misdadigers. Vanuit menselijk standpunt was er in het Romeinse recht geen vernederender, schandelijker dood dan die aan het kruis. Net als nu de galg, was destijds de kruisiging het meest onterende einde van een verfoeilijke, misdadige loopbaan. De pijn, de openbare en voor iedereen zichtbare gebeurtenis en de ontzettende schande overtroffen verreweg de ergste van alle moderne terechtstellingsmethoden.

Dat het algemene christendom daarvan niet de geringste voorstelling heeft, blijkt uit de verspreiding van dit huiveringwekkende symbool als sieraad.
Wij willen hier duidelijk maken, dat er niet de minste reden is om aan te nemen, dat de Heer aan een kruis heeft gehangen, zoals dat tegenwoordig in verschillende vormen overal te zien is. Het was eerder een eenvoudige paal, mogelijkerwijs met een dwarsbalk er bovenop geplaatst (zoals de horizontale dwarsstreep bij de letter T). De kruisvorm heeft zich echter meester gemaakt van de fantasie van de massa.
Als men ook maar het flauwste vermoeden zou hebben van de huiveringwekkende verschrikking van het kruis, dan zou men daar niet zo lichtvaardig en onnadenkend mee omgaan. Niemand zou het dan als kettinghanger, sierspeld of iets dergelijks dragen of als kunstvoorwerp gebruiken en zich daarbij misschien nog bijzonder ‘vroom’ voelen ook. Het is allemaal een bespotting, een vervorming en verminking van feiten, een geringschatting van de intense en vreselijke vernedering, waar het een teken van moest zijn.

De menselijke kant van de kruisiging is een tragedie, die ons bevattingsvermogen niet te boven hoeft te gaan. Als de Heer een mens was geweest als alle anderen, zouden wij misschien de vreselijke diepte van Zijn lijden hebben kunnen peilen. Maar Hij was niet als de anderen.
Schande is betrekkelijk. Een gevoelloze bruut ervaart niet hetzelfde als een gevoelig mens onder dezelfde omstandigheden. De één laat schande koud, voor de ander is het een kwelling. Geen ziels (natuurlijk) mens zou ooit zo onder de hoon, de spot en de schande van de kruisdood kunnen lijden als die Ene, Die uit het toppunt van de heerlijkheid kwam, waar zelfs de cherubs hun aangezicht in Zijn tegenwoordigheid bedekten. Alleen Híj kent het geweldige contrast en alleen Híj kan de vreselijke afschuw voelen door de zondige nakomelingen van Adam veracht en gesmaad te worden.

De menselijke kant van het kruis kan echter helemaal niet vergeleken worden met de Goddelijke zienswijze.
De mensen waren Hem lange tijd vijandig gezind. Het kruis was slechts het toppunt van een lange rij gebeurtenissen, waarbij Hij onder de hoon en minachting van Zijn medemensen had geleden.
Iets heel anders was het met de vloek van boven, toen de zon verduisterd werd en duisternis het schouwspel voor menselijke ogen verborg. In alle vernederingen, die Hij tot op dat moment had ondergaan, had de hand van God Hem staande gehouden. Op het hoogtepunt van Zijn dienst, toen het duidelijk was, dat Hij door het volk werd afgewezen, kon Hij troost vinden in de gemeenschap met Zijn Vader:

Ik dank U Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebtEig.Vert.
(Mat 11:25 – NBG)

Het moet voor Hem gelijk gestaan hebben met de grootste schande om Zich te moeten indenken, dat Zijn inspanningen blijkbaar zonder succes geweest waren. Zelfs in onze tijd is het uitermate pijnlijk voor Zijn dienaren om maar zo’n buitengewoon zwakke reactie op Zijn waarheden te moeten vaststellen, hoewel wij heel goed weten, dat afvalligheid en afwijzing deel uitmaken van Gods plan. Hij had echter steeds ruggensteun van God en vond altijd troost in Zijn tegenwoordigheid. Toen Hij aan het vloekhout hing, was Gods glimlach Zijn voortdurende bemoediging. Hij liet Hem nooit in de steek. Hoe meer de mensen zich terugtrokken, des te dichter God bij Hem kwam. Zoals de zaken zich ontwikkelden zouden wij eerder aannemen, dat iedereen zich weliswaar van Hem afkeerde, maar dat God Hem onveranderd terzijde zou staan in Zijn zwaarste beproeving aan het kruis.

Maar vanuit dit oogpunt, ontwaren wij de meest troosteloze tragedie van de hele schepping. Hier kunnen wij een blik werpen in de bodemloze afgrond van Zijn vernedering. Hier werd Hij, Die zonder zonde was, tot zonde gemaakt. Hij, Die als Enige de wet hield, moest de vloek van de wet dragen: ‘Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt.’ Gal. 3:13Deut. 21:23 In plaats van de innige gemeenschap met de Vader onderging Hij Gods vloek. In plaats dat er vuur van de hemel op Zijn moordenaars viel, drong het in Hem. Ps.22 Hij werd tot zonde en, zoals elk zondoffer, uitgesloten van de heilige aanwezigheid van God. Tegelijk met de huiveringwekkende duisternis, die Zijn ziel omhulde, spreidde de duisternis zich over het land uit; want de zon, het symbool van het leven, het licht en de liefde van God, verborg haar stralen, totdat alles voltooid was.

‘“Eloï. Eloï, lama sabachtani!” Dat is: Mijn God, Mijn God, waartoe Gij Mij verlaten hebt!’ Matth. 27:46Marc. 15:34Ps. 22:2

Deze schreeuw van de Heer doet ons vermoeden, hoe diep Zijn vernedering is geweest. De vervolging door de mensen, het verlaten worden door Zijn discipelen is niets in vergelijking met het feit, dat God Zich van Hem afwendde. God wilde dat Hij verbrijzeld werd, Hij heeft Hem doen lijden. vgl. Jes.53:10
Waartoe?
Opdat Hij alle anderen kan zegenen. Opdat Hij rechtvaardig is en de Rechtvaardiger van allen die geloven. Opdat God al Zijn schepselen wederzijds met Zich kan verzoenen.
De godverlatenheid van Christus is de basis van de redding, de wortel van de wederzijdse verzoening. ‘Want het schijnbaar dwaze van God is wijzer dan de mensen en het vermeend zwakke van God is sterker dan de mensen.’ 1Cor.1:25 Het is de tentoonspreiding van de liefde van God, die elk hart zal overweldigen.

Niemand van ons zou het extreme contrast tussen de heerlijkheid van Christus als Beeld van God en Zijn verlatenheid aan het kruis over het hoofd mogen zien. In het bestaan, dat Hij tevoren had, was Hij zo dicht bij God als maar mogelijk was. Geen schepsel kon de godheid naderen dan door Hem. In elk opzicht was Hij God, voor zover het de schepping aangaat. Hij was in de gestalte van God.

In de donkere uren van de kruisiging bevindt Hij Zich in een volkomen tegengestelde positie. Te midden van lichamelijke en geestelijke vernedering en smaad verneemt Hij de hoon van hen, die er aanspraak op maakten in zeer nauw contact te staan met Zijn God. Hij hoort de minachting van de misdadiger aan Zijn zijde. Hij is daar, zover als maar mogelijk is, verwijderd van de plaats, die Hij ooit bezat.

Het zou goed zijn, als alle theologische theorieën betreffende God en Zijn Christus getoetst zouden worden aan de duisternis van het kruis.
Een absolute, onbeperkte godheid zou nooit een andere godheid als “Mijn God” aanspreken. God, de Vader, is de Allerhoogste. Hij heeft geen God boven Zich, Die Hij zou kunnen aanroepen of aan Wie Hij ondergeschikt is. Als het anders was, dan zou Hij niet Gód zijn.
De absolute godheid kan niet aan een ander worden overgeleverd, Hij is niet afhankelijk van een ander en zou met zekerheid geen vernedering ondergaan, als de een of ander Hem verlaat. Ook kan God niet sterven en Zijn Geest overgeven aan God, Die hem gegeven heeft.
Aan de andere kant, wanneer een gewoon mens dit allemaal wel kan doen, dan zou het alleen zijn eigen gevoel raken. Daardoor zou niets voor anderen gewonnen zijn. Niemand anders dan een Middelaar met Gods geest en een menselijk lichaam, met een ziel, die deze twee verbindt, kan aan onze verwachtingen voldoen en Gods openbaring vervullen.
Wij aarzelen niet om te bevestigen, dat een werkelijke godheid niet kan sterven. Wij zouden ons op geen enkele wijze de dood van God kunnen voorstellen; want daarmee zou al het leven in de totale schepping, ja de schepping zelf, ophouden.
Het is zelfs moeilijk te begrijpen, dat de Zoon van God kon sterven. Hij, Die aan anderen leven gaf, zelfs als ze al gestorven waren, zou onder alle omstandigheden Zichzelf in leven hebben kunnen houden. Dat is zowel logisch als ook Schriftuurlijk. Het is evenzeer logisch om te erkennen, dat Hij het recht had om te sterven, wanneer dat Gods wil was. En dat is precies wat Hij deed. Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja zelfs tot de dood aan het vloekhout.

Zijn verhoging.

Het is van het grootste belang, dat wij de nauwe relatie zien, van deze verhoging met Zijn vernedering. Dat geldt ook voor het contrast hiermee tot de heerlijkheid en waardigheid, die Hij bezat voordat Hij Zichzelf daarvan ontledigde. Beide kunnen in één enkel woord worden samengevat: redding. De redding is in Zijn naam geconcentreerd. Hij wás JHWH, nú is Hij Jezus – JHWH, de Redder.
Vóór Zijn ontlediging, toen Hij in de gestalte van God was, bezat Hij deze gestalte, de heerlijke positie en de waardigheid, omdat God deze aan Hem gegeven had. Hij had die niet Zich toegeëigend en maakte er ook geen aanspraak op voor Zijn eigen belang.
Net zo is het met Zijn huidige en toekomstige verhoging. Die is Gods antwoord op Zijn lijden en Zijn vernedering. Aan de naam die Hij eens bezat als de hoogste van de verschijningen van God, JHWHwerd de grootste van de goddelijke daden toegevoegd: redding.
Als JHWH had Christus kunnen doorzetten, dat iedere knie in de gehele schepping zich buigt en elke stem in het universum Hem huldigt, want Hij had daartoe het recht. Maar Hij besloot om Zijn rechten niet door te zetten, maar Hij zag van alles af, om de harten van alle schepselen door lijden en smaad te winnen.
Wanneer Hij in Zijn toekomstige heerlijkheid alleen de afgedwongen erkenning van Zijn alles overtreffende macht zou krijgen, wanneer alle knieën zich slechts onwillig zouden buigen, en alle tong Hem alleen onvrijwillig hulde zou bewijzen, dan zou Zijn vernedering volkomen tevergeefs zijn geweest. Als JHWH had Hij dit kunnen bereiken, voordat Hij in de mensengestalte de weg van vernedering aan het vloekhout ging.
God zij de lof, de dank en de aanbidding, dat het heel anders is. Als de Redder van het heelal zal Christus zonder enige dwang het vreugdevolle eerbetoon en de waardering van de totale schepping ontvangen, de verering en de hoogachting van alle redelijke levende wezens in het hele universum. De heerlijkheid en de uitnemendheid van Zijn verhoging is belichaamd in de eenvoudige Naam, die is boven alle naam. Zijn reddingsdaad zal Hem de volle, alles omvattende heerlijkheid brengen.
Het einddoel is de verheerlijking van God. De ontlediging van Christus is de eerste stap, dat God als Vader Alles in allen zal zijn. Het is de enige weg, waarop Hij de rijkdom van Zijn liefde kan onthullen.
God heeft Zich als de machtige Schepper in Zijn werken geopenbaard. Dat bevredigt Zijn hart echter niet, evenmin als de harten van Zijn schepselen. Hij verlangt ernaar hun Vader te zijn. Hij zal hen door de band van de liefde tot Zich trekken. Hij moet hun liefde krijgen. Dat is de vérstrekkende taak, die met de ontlediging van Christus begon. Dat is het heerlijke doel van de voleinding. In de komende eonen zal God de Vader van al Zijn aanbiddende schepselen zijn. In de verwezenlijking van de voleinding zal de Naam van Jezus hooggeacht worden boven alle naam in de eonen van de eonen en verder!

Knoch, A.E. (1985/1986)
Unausforschlicher Reichtum, 1985/5 t/m 1986/6.
(Vertaling : Rita Buurveld)

Verwante onderwerpen:

kruisiging
onderschikking
verhoging
heerlijkheid
Deel met anderen