Onze blik op God

Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.Eig.Vert.
(Rom 11:36 – proeve van NCV)

Hoeveel bewegingsvrijheid hebben wij dan eigenlijk? Hebben wij van God een vrijbrief gekregen om naar goeddunken te handelen? Volstrekt niet, want de Schrift laat op zeer gevarieerde wijze zien dat het God is Die op de een of andere manier ons doen en laten bepaalt. Zo zal alles in ons leven of in dat van de wereld altijd exact overeenstemmen met Gods voornemen van de eonen dat Hij uitvoert in Christus Jezus, onze Heer!
Deze waarheid gaat op voor alle niveaus waarop mensen zich bewegen: in politiek en economie, in ziekenhuizen en verpleeginrichtingen, in onderwijsinstellingen en ondernemingen, in huwelijken en in het leven van kinderen, enzovoort. Alleen wie de juiste blik op God heeft, zal dit van harte en blij kunnen beamen.
Ter ondersteuning van deze blik op God gaan wij hierna in op Romeinen 1 en op twee kenwoorden: heerlijkheid en vrees.

Romeinen 1:18-23

18 Want Gods verontwaardiging openbaart* zich vanaf de hemel op alle oneerbiedigheid en onrechtvaardigheid van mensen die de waarheid in onrechtvaardigheid neerhouden, 19 omdat wat van God bekend is in onder hen openbaar is, want God maakt het aan hen openbaar. 20 Want wat van Hem onzichtbaar is en vanaf de schepping van de kosmos voor Zijn maaksels [is] te bevatten, is waarneembaar* – behalve* Zijn onwaarneembare kracht en goddelijkheid – naar opdat zij niet te verdedigen zijn, 21 omdat zij, God kennende, Hem niet als God verheerlijken of danken, maar ijdel zijn geworden in hun doorredeneringen en omdat hun onverstandig hart duister is geworden. 22 Zich voorgevende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden 23 en veranderen zij de heerlijkheid van de onverderfelijke God in gelijkenis naar het beeld van een bederfelijk mens en van wat vliegt, van viervoeters en van reptielen.Eig.Vert.
(Rom 1:18-23 – proeve van NCV)

Dit staat in een gedeelte van de brief dat over het gedrag van de mensheid gaat. De mens zou in de schepping de ordenende hand van God moeten opmerken en erkennen. Er zijn maar weinig wetenschappers die daarvoor uitkomen.
In plaats van God als de Schepper van de kosmos volmondig alle eer te geven, komt men bijvoorbeeld met een zielig concept zoals ‘intelligent design’, of men ontkent doodleuk het bestaan van de Schepper.
Paulus’ diagnose is: ijdelheid, doorrederneren, een onverstandig en duister hart. Men vervangt Hem liever door iconen van bederfelijke mensen door helden, grote wetenschappers, politici, economen, filosofen, religieuze leiders en dergelijken te vereren.
De wortel van deze verdwazing is een gebrek aan vrees voor God en vooral het miskennen van Zijn heerlijkheid.

Heerlijkheid
Wie de Schrift op ‘heerlijkheid’ onderzoekt, zal ontdekken hoe verschillend woorden uit de grondtekst in het Nederlands vertaald zijn. In de NBG-vertaling van 1951 staat voor het Hebreeuwse woord voor ‘heerlijkheid’1 onder meer: eer, erezetel, eerbetoon, eerbied, geest en ziel, rijkdom en vermogen. Voor het Griekse equivalent2 staat er onder meer: eer, glans en majesteit (zoals in Romeinen 1:23; 6:4).

1. כבוד (kavod), Str. 3519. [Str. = Strong-codering – James Strong heeft alle woordstammen van de Hebreeuwse en Griekse grondtekst van de Bijbel gealfabetiseerd en van een uniek nummer voorzien. Met behulp van deze nummering kunnen alle vindplaatsen van een woordstam en zijn afleidingen en vertalingen in de Schrift gevonden worden – Red.] 2. doksaδοξαStr. 1391

In de Hebreeuwse Schrift is ‘heerlijkheid’ meestal aan Jahweh gerelateerd, aan onze Heer toen Hij nog in de vorm van God was. Fil. 2:6 Daarbij valt op dat Jahweh Zijn heerlijkheid nooit onverhuld en ten volle aan mensen laat zien.
Toen Zijn heerlijkheid rustte op de berg Sinaï, bedekte een wolk hem zes dagen lang voordat Hij op de zevende dag Mozes riep. De Israëlieten zagen het als een verterend vuur op de top van de berg. Ex. 24:16-17
Wanneer de onzekere Mozes later aan Jahweh vraagt of hij Zijn heerlijkheid mag zien, moet hij in een rotsholte door Jahweh’s hand bedekt worden als Hij hem voorbijgaat. Ex. 33:18-23
Toen Mozes veertig dagen en veertig nachten op de berg Sinaï was geweest en daarvan afdaalde met de twee tabletten van het getuigenis in zijn hand, straalde de huid van zijn gezicht zozeer dat men hem niet durfde naderen! Ex. 34:28-29; 2Cor. 3:7-18
De heerlijkheid van Jahweh had ook een ander effect: toen zij in een wolk in de tabernakel kwam, belette zij Mozes de toegang. Ex. 40:34-35

Hoe geducht de heerlijkheid van Jahweh is, laat de Schrift ook zien in 1Koningen 8:11 (en 2Kronieken 5:14), waar beschreven is hoe de priesters in de nieuwe tempel de ark terugplaatsten en niet konden blijven staan toen de heerlijkheid van Jahweh in een wolk het gebouw vulde.
Toen daarna Salomo zijn gebed uitgesproken had en vuur uit de hemel de offers verteerd had, vulde de heerlijkheid van Jahweh de tempel en konden de priesters het huis niet binnengaan om hun dienst te doen. 2Kron.7:1-3

 In de Griekse Schrift wordt getuigd van de heerlijkheid van de Zoon van de mensheid als Hij met Zijn boodschappers komt en plaats zal nemen op de troon van Zijn heerlijkheid. Matth. 16:27; 24:30; 25:31
Het Griekse woord voor ‘heerlijkheid’ heeft als grondbetekenis ‘schijnen’3. Dat geeft precies het verschil met het Hebreeuwse woord aan. Want waar Jahweh Zijn heerlijkheid in wolken en vuur hulde, laat de opgestane en verheerlijkte Heer Zich onverhuld zien. Maar omdat de intensiteit van Zijn heerlijkheid voor het menselijk, sterfelijk lichaam teveel is, temperde Hij haar. Niettemin was de apostel Paulus door het licht van die heerlijkheid blind geworden, totdat Ananias hem de handen mocht opleggen. Hand. 9:1-18
Wij mogen dus vaststellen dat Paulus veel meer van de goddelijke heerlijkheid gezien heeft dan enig ander. Wanneer hij in Romeinen 8:18 stelt dat het lijden van de huidige era niet kan tippen aan de heerlijkheid die op het punt staat aan ons onthuld te worden, is dat veelzeggend voor wat wij mogen verwachten.

3. dokeōδοκεω, Str.1380

 In Maleachi 1:6 verzucht Jahweh bij monde van de profeet:

Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Indien Ik Vader ben, waar is Mijn heerlijkheid? En indien Ik Heer ben, waar is Mijn vrees?Eig.Vert.
(Mal 1:6 – proeve van NCV)

Dit illustreert het verband tussen heerlijkheid en vrees, het tweede woord dat hierna aan de orde komt. Dankzij onze Heer en Redder, Jezus Christus, kennen wij God als de Vader en belijden wij dat Zijn Zoon de Heer van ons leven is, tot verheerlijking van God, de Vader. zie Fil. 2:11
Maar als Hij onze Heer is, vrezen wij Hem dan ook?

Vrees
Zowel het Hebreeuwse als het Griekse equivalent voor ‘vrees’ en ‘vrezen’ hebben de betekenis van ‘bang zijn’ én ‘vol ontzag zijn’.4 Het tekstverband bepaalt om welke psychologische reactie het gaat. Bijvoorbeeld in Genesis 32:11 gaat het om bang zijn (van Jakob voor Ezau), maar in Genesis 22:12 om diep ontzag hebben (van Abraham voor Jahweh). Het zijn Gods woorden en daden, tot uitdrukking komend in het leven van de mensen en in de gehele schepping, die ons vol ontzag naar Hem doen opzien.
Wanneer tot ons door gaat dringen hoe onbevattelijk groot Gods heerlijkheid is en ook die van Zijn Zoon, Die nu aan Zijn rechter(hand) gezeten is en als Enige levend gemaakte woont in het ontoegankelijk licht, 1Tim.6:16zouden wij dan niet vol ontzag voor Hem op de knieën vallen en Hem alle eer brengen waarop Hij recht heeft?
Wij die leden zijn van de uitgeroepen gemeente die Zijn lichaam is, behoeven niet voor onze liefdevolle Heer van angst te beven, noch bang te zijn voor de God, Die onze Vader is! ‘Want niet ontvingen jullie een geest van slavernij, wederom tot vrees, maar jullie ontvingen een geest van zoonschap, waarin wij luid ‘Abba, Vader!’ roepen’– drukte Paulus ons in Romeinen 8:15 op het hart! Zodanige vrees leidt tot onderschikking!
Niet voor niets zegt de apostel in Efeziers 5:20-21‘… altijd dank brengend voor alles in de naam van onze Heer Jezus Christus aan de God en Vader, aan elkaar onderschikkend in de vrees van Christus.’!

4. יראה en ירא (“jierá” en “jaré”) Str. 3374 en 3373), resp. phobosφοβος en phobeōφοβεω (Str. 5401 en 5399)

Onze blik op God
Op de Areopagus herinnerde Paulus zijn toehoorders aan de woorden van een van hun dichters: ‘Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.’ Hand. 17:28 Daarmee gaf hij duidelijk te kennen dat geen mens zich aan God kan onttrekken, onverschillig of men Zijn bestaan kent, ontkent of niet kent!
In Romeinen 1:18-23 hebben wij gelezen dat ieder mens, onverschillig of men Zijn bestaan kent, ontkent of niet kent, Gods heerlijkheid kan waarnemen.

Zonder besef te hebben van Zijn peilloze heerlijkheid en zonder voor Hem vol ontzag te zijn, komt men tot absurde dingen: God verkleinen tot het beeld van een mens of ander schepsel, Hem vernederen tot een God van alleen licht en goed naast de Satan als god van duisternis en van het kwade, Hem machteloos achten ten opzichte van wat mensen willen, enzovoort. Allerlei godsdiensten en religieuze geschriften staan er bol van.

De mens wikt, maar God beschikt
Dit spreekwoord kan kwalijke gedachten oproepen: alsof de mens uiteindelijk als een robot exact zou doen wat God geprogrammeerd heeft. Dan komen wij al gauw op de vraag of de mens wel een vrije wil heeft. Dat is echter een vraag die uit het rijk der duisternis komt en allerlei onschriftuurlijke, waanwijze en heilloze discussies teweeg heeft gebracht.

De Schrift geeft echter een geheel ander én reëler beeld. Want het gaat het niet om de kwestie van een vrije of onvrije menselijke wil, maar om de wijze waarop God Zijn wil en bedoelen uitwerkt!

Gods blik op ons
God kent de mens, in Zijn beeld geschapen, door en door. Een vage afspiegeling hiervan herkennen wij bij ouders en kinderen. Een ouder kent zijn kind als geen ander. Vader of moeder kan daardoor veelal vrij nauwkeurig voorspellen wat het kind in een bepaalde situatie zal doen.
Wanneer een vader bijvoorbeeld weet dat Jantje dol op pruimen is en hij laat het kind doelbewust achter naast een schaal met dit fruit, zal hij niet verbaasd opkijken als hij later Jantje met bolle wangen naast een lege schaal aantreft.
Jantje zal niet kunnen beweren dat hij onder dwang van vader pruimen genuttigd heeft. Toch handelde hij precies zoals zijn vader zich had voorgesteld.
Zo gaat het ook tussen God en mens(heid), maar op een voor de mens nauwelijks te bevatten wijze. Ja, pas achteraf kunnen wij soms inzien hoe God in ons leven en in de wereld zaken op z’n plaats heeft gezet. Want is het niet God Die alles in de kosmos op zijn juiste plaats zet? 

Een ander voorbeeld geeft de geschiedenis van Mozes. Wat zal zijn moeder niet allemaal bedacht hebben om haar baby te redden? In haar wanhoop koos zij ervoor om haar kindje in een biezen kistje aan het rivierwater prijs te geven. Dat was de weg die zij bewust opging. Zij had er toen geen idee van daarmee precies gedaan te hebben wat Gods wil en bedoeling was. Als de baby niet gehuild had, zou de prinses Mozes nooit opgemerkt hebben en de geschiedenis geheel anders verlopen zijn.

De mens kan zijn wereld nu eenmaal niet overzien, terwijl God, als Schepper, de wereld tot in de finesses kent. Bovendien kent God de mens beter dan de mens zichzelf. Ps. 139 De mens is in feite niet in staat te bepalen wat goed voor hem of voor de wereld is. Dat bewijst wel de paradoxale situatie van onze tijd: hoe ‘knapper’ de mens is geworden, des te erger zijn de puinhopen die hij veroorzaakt.

Alle wegen leiden tot de Vader
Wie de Schrift kent, daarvan vooral de brieven van de apostel Paulus, staat geheel anders in de wereld.
Zo weet ik dat wat ik als mens ook maar bedenk, de Vader het allang weet. Hij leest immers de ideeën die in mijn hart opkomen. Zo wacht Hij op het idee dat Hij al voorzien had en laat dat tot uitvoering komen. Zo loop ik – al of niet van Zijn besluit op de hoogte – precies die weg op die Hij voor mij bestemd had. Een ongelovige zal dit een belachelijke gedachte vinden.
Wanneer er geschreven staat:

Het hart van de mens bedenkt zijn weg en Jahweh zet zijn schreden vastEig.Vert.
(Spr 16:9 – proeve van NCV)

doet het er feitelijk niet toe wie het betreft. Het gaat hier om een principe dat bij ongelovigen net zo werkt als bij gelovigen – voorwaar, een zeer geruststellende gedachte!

Als gelovige heb ik het weergaloze voorrecht te ervaren dat ik mijn wegen niet alleen behoef te gaan, maar altijd in het onafscheidelijke gezelschap van mijn Redder en Kurios, Herder en Helper, Christus Jezus! Als gelovige marcheer ik door het leven met het vaste vertrouwen uiteindelijk bij het hart van de Vader te zullen aankomen. En ik niet alleen, want álle tong zal van harte belijden: ‘Heer is Jezus Christus, tot verheerlijking van God, de Vader!’ Fil. 2:11 Amen!

© Alfred E. Dekker, Rotterdam 26 november 2017.

Verwante onderwerpen:

vrije wil
vrees
Deel met anderen