Het adres op de envelop

Van dit artikel is ook een korte herschrijving te lezen.

God heeft Zich in Zijn Woord op vele manieren geopenbaard. De historische, profetische en literaire gedeelten zijn meestal in de vorm van kleine rollen of pamfletten tot ons gekomen. Maar Zijn laatste en hoogste openbaringen kennen wij als brieven, of – om het wat formeler te zeggen – als epistelen. Om een stapel post te kunnen bezorgen moet er eerst gesorteerd worden om er zeker van te zijn, dat iedereen de voor hem bestemde brieven ontvangt. Op onze beurt moeten wij, voordat wij de brief openmaken, nagaan of deze wel voor ons bestemd is.

Vroeger kende men nog geen enveloppen en daarom werd de geadresseerde genoemd in de eerste regels van een brief. Om die reden komen in de brieven in Gods Woord meestal aan het begin de naam van de afzender(s) en van de geadresseerde(n) voor. Vooral Petrus en Jakobus hebben dat heel nadrukkelijk gedaan. Paulus noemt aan het begin van een brief altijd zijn naam, gevolgd door de positie die hij in het schrijven van de brief inneemt, alsmede een beknopte opsomming van degenen aan wie hij schrijft.

De naam ‘Paulus’ heeft een vreemde klank voor iemand, die gewend is aan de Hebreeuwse titels van veel oude boekrollen. Paulus was vanzelfsprekend een Israëliet, zoals de meesten van de door God geïnspireerde schrijvers. Maar God veranderde zijn Hebreeuwse naam Saulus in een niet- Hebreeuwse, nl.: ‘Paulus’. Die verandering vond plaats op het keerpunt in Paulus’ leven, toen hij afgezonderd werd van zijn broeders voor een speciale bediening onder de natiën (Hand.13:2-3). Maar dat is niet het enige, want bij de allereerste keer, dat wij lezen over een rechtstreekse prediking van het evangelie aan een heiden – niet aan een proseliet – wordt ons bijna terloops verteld, dat Saulus ‘ook Paulus genoemd werd’. Maar ook de heiden heette zo, nl.: Sergius Paulus, de proconsul. Maar nog opvallender is het optreden van Paulus tegenover Elymas, de tovenaar, die erop uit was de proconsul van het geloof te doen afvallen. Hij is zonder twijfel een beeld van Israël en voorafschaduwt de tegenstand tegen Paulus’ bediening aan de natiën. De climax is het wonder, dat Paulus toen deed en dat zo’n schrille tegenstelling vormt met zijn andere, genadevolle daden. Hij bracht blindheid over de afvallige Jood ‘tot de gezette tijd’. Kortom, wat een miniatuur van Paulus’ bediening onder de natiën. Tijdens de verblinding van Israël brengt hij redding aan de natiën (Hand.13:6-12).

De naam ‘Paulus’ is in volledige overeenstemming met de aard van zijn bediening. Hoewel meestal wordt aangenomen, dat Paulus een Romeinse naam was, die ‘kleine’ betekent, is het veel waarschijnlijker, dat de naam uit het Grieks komt (hoewel het Latijn dezelfde wortel heeft), en wel van de stam pau, dat ophouden betekent. Vgl. ons woord ‘pauze’. Zijn naam is dan een verwijzing naar de pauze in Gods handelen met Israël: de tussentijd, waarin het volk, net zoals Elymas, blind is ‘tot de gezette tijd’. Hoe veelbetekenend is dit! Steeds als wij één van de brieven van Paulus lezen, moeten wij ons ervan bewust zijn, dat wat hij schrijft, betrekking heeft op de periode van Israëls blindheid. Het feit dat alle brieven van Paulus zijn naam dragen, maakt ze tot een eenheid en doet ze samenvallen met de periode, waarin Gods genade de natiën toestroomt.

Paulus stelt zichzelf voor al naar gelang het karakter van de brief. Als het over dienstbetoon gaat, stelt hij zich voor als slaaf. Als het een leerstellig betoog met autoriteit van Paulus betreft, introduceert hij zich als apostel. Maar gaat het om gemeenschap van broeders, dan worden ook andere namen genoemd. De volkomenheidsbrieven [Efeziërs, Filippenzen en Colossenzen] zijn hiervan mooie voorbeelden. Als bevoegd onthuller van het geheimenis richt hij zich tot zijn lezers in de brief aan de Efeziërs alsapostel. In Filippenzen, waarin het vooral gaat om dienstbetoon en broederschap, gebruikt hij de titel slaaf, samen met Timotheüs. In Colossenzen, waarin hij schrijft over correctie en eensgezindheid, is hij weer de apostel, samen met Timotheüs.

De openbaring van het geheimenis staat of valt met Paulus’ autoriteit als apostel. Er waren nogal wat mensen die zijn recht op die titel ontkenden of afwezen. Hij behoorde niet tot de twaalven. Op die plaats kon hij geen aanspraak maken. Hij werd pas apostel, nadat het belangrijkste deel van de bediening van de twaalf apostelen een feit was. De plaats van Judas moest worden ingenomen door iemand, die met Christus was omgegaan vanaf de doop van Johannes tot en met Zijn hemelvaart (Hand.1:21-22). Dat was een voorwaarde, waarop Paulus, die helemaal niet met Hem was omgegaan, geen recht had. Het was nodig, dat hij onze Here eerst leerde kennen na Zijn hemelvaart. Hij is de apostel van Christus Jezus, de Verheerlijkte, niet van Jezus Christus, de verworpen Messias.

De titel apostel wordt vaak in verband gebracht met ‘gezondene’. Maar het woord kent het gebruikelijk element dat op zenden wijst niet. Apostel is opgebouwd uit twee elementen, nl.: apo (= vanaf) en stellõ (= stellen). De letterlijke betekenis is: iemand ergens plaatsen, als een vertegenwoordiger. De betekenis die er het dichtst bijkomt is ‘gevolmachtigde’. Een apostel kreeg volmacht om zaken uit te voeren. De twaalven kregen volmacht van de Here, toen Hij nog bij hen was. Paulus kreeg die volmacht niet van hen of via hen, maar van de Here Zelf. Het geweldige verschil tussen zijn volmacht en die van de twaalven is er al het bewijs van, dat Paulus onmogelijk tot de twaalf apostelen gerekend kan worden.

Maar apostolische bevoegdheid was bepaald niet beperkt tot de twaalf apostelen. Voor de besnijdenis was twaalf altijd een vereiste, omdat de twaalf stammen twaalf leiders nodig hadden. Maar die voorwaarde gold niet voor de onbesnedenen. Paulus echter steekt met kop en schouders zelfs boven Petrus, de leider van de twaalf apostelen, uit. Het is zelfs waarschijnlijk, dat – als wij ons strikt beperken tot deze uiteindelijke en hoogste openbaring van het geheimenis – Paulus hiervan de enige apostel genoemd kan worden. Hoewel in de Brief aan de Colossenzen in de begroeting ook Timotheüs genoemd wordt, wordt hij daar niet voorgesteld als apostel. Hij is gewoon ‘Timotheüs, onze broeder’. En nu alle genoemde mannen overleden zijn en alleen Paulus zijn geïnspireerde brieven heeft nagelaten, is hij voor ons de enige apostel, de enige autoriteit met betrekking tot leer en praktijk.

Herhaaldelijk schrijft Paulus zijn apostelschap toe aan de wil van God (1Kor.1:1; 2Kor.1:1; Col.1:1; 2Tim.1:1). Niemand van de twaalf apostelen heeft dat gedaan. Zij werden door Christus uitgekozen naar het geopenbaarde raadsbesluit van God. Hun opdracht, loopbaan en alles wat wij verder over hen weten, lag in de lijn van IEUE’s beloften, neergelegd in de wet, de profeten en de psalmen. Hoewel bepaalde details en ontwikkelingen wellicht geheim geweest zijn, verliep alles toch volkomen volgens een van tevoren bepaald plan. Eén van de bijzonderheden bij de roeping van Paulus was, ‘opdat hij Gods wil zou leren kennen’ (Hand. 22:14). Dat kan onmogelijk slaan op kennis van de Hebreeuwse geschriften, maar op zaken die nog niet geopenbaard waren. Het was het speciale voorrecht van Paulus om inzicht te krijgen in zaken met betrekking tot Gods plan, die tot dan toe volstrekt onbekend en nog niet geopenbaard waren. Zijn benoeming tot apostel door de wil van God suggereert al, dat er sprake is van een nieuwe start in Gods heilshandelen.

Tot zover heeft de schrijver van de brief aan de Efeziërs zich aan ons voorgesteld. Vervolgens adresseert hij de envelop. Bij het noteren van de bestemming van zijn brief noemt hij de geadresseerden. Hij schrijft zijn brief ‘aan al de heiligen, die ook gelovigen zijn in Christus Jezus’. Er wordt weleens gezegd, dat je iemands gezondheid kunt aflezen aan zijn gebit. Zo kunnen wij de afval van het paulinische onderwijs aflezen aan de toevoegingen en verkeerde vertalingen en interpretaties van deze simpele woorden.

Duidelijk is, dat de kracht van het ‘zijn in Christus Jezus’ al heel vroeg verloren is gegaan. Vaak wordt er aan de namen en titels van onze Here slechts weinig aandacht besteed. Het in veel evangelische kringen gebruikelijk noemen van de eigennaam ‘Jezus’ doet ons vaak pijnlijk en oneerbiedig aan. Helaas, zijn er maar weinig mensen die het verschil kennen tussen ‘Christus Jezus’ en ‘Jezus Christus’! Toch is dat nu juist in de adressering zo belangrijk.

Allen, die op God gericht zijn, zijn heiligen. Dat is de meest algemene benaming voor gelovigen. Van Adam en Abel af tot de laatste geroepene in de nog komende aeonen, in ieder tijdvak en alle bedelingen, worden niet alleen mensen, maar ook boodschappers heiligen genoemd. Toen Paulus deze brief schreef, bestonden er twee groepen heiligen. De ene groep – behorend tot de twaalf apostelen, meestal afkomstig uit de besnijdenis, en tevens gevormd uit proselieten – beleed Jezus Christus als de verworpen Messias. De andere groep – behorend bij Paulus, vooral afkomstig uit de onbesnedenen – erkende Hem als de nu in de hemelen verheerlijkte Heer, als Christus Jezus. Aan hen werd deze brief geschreven.

De adressering van de brief had niet beknopter en duidelijker kunnen zijn. Hij is niet bestemd voor ongelovigen, maar voor heiligen. Hij is niet voor hen, die in Jezus Christus zijn, maar in Christus Jezus. Hoe wij het ook wenden of keren, wij zouden geen betere adressering voor deze brief kunnen bedenken. Hij is bestemd voor sommige Joden en heidenen – een scheidslijn is moeilijk te trekken. Hoewel de brief hoofdzakelijk voor onbesneden gelovigen bestemd is, zijn er ook besnedenen in de geadresseerden begrepen. De enige maatstaf die wij kunnen aanleggen is dus de houding van de gelovigen ten opzichte van Christus en dat komt naar voren in de titels ‘Jezus Christus’ en ‘Christus Jezus’.

Maar omdat de betekenis van de titel ‘Christus Jezus’ verloren was gegaan, ging ook in deze groet de betekenis van die titel het begrip van kopieerders en vertalers kennelijk te boven. Daarom hebben zij geprobeerd om hetgeen zij als fout beschouwden, te corrigeren en voegde de kopieerder van de Codex Alexandrinus – of iemand vóór hem – aan de tekst toe: ‘in Efeze’. Zo dacht hij tenminste nog iets van de groet gemaakt te hebben. Het is heel waarschijnlijk, dat deze brief zowel aan de Efeziërs als aan alle paulinische gemeenten gezonden werd. Waarschijnlijk heeft men daarom op grond van een traditie de zinsnede ‘in Efeze’ toegevoegd. Deze brief is duidelijk in haar karakter een rondzendbrief. Waarschijnlijk is één exemplaar specifiek aan Efeze gericht, maar in geen geval was hij uitsluitend voor die gemeente bestemd.

Wij worden in onze overtuiging gesterkt door het feit, dat in de beide oudste handschriften – de Vaticanus en de Sinaïticus – oorspronkelijk de toevoeging ‘in Efeze’ niet voorkomt. In de Vaticanus is ‘in Efeze’ er in de marge bijgeschreven. Dat wordt aangetoond op pag.618 van de inleiding op het Concordant Literal New Testament (Of: op pag.672 in het ‘Konkordantes Neues Testament’). Het is te zien aan het eind van de derde regel van de middelste kolom, vlak onder de zware sierbalk, die de bovenste marge van het manuscript beschadigd heeft. (zie bijlage pagina 7) In de Sinaïticus is er sprake van iemand, die later geschreven heeft. Duidelijk is, dat de zinsnede ‘in Efeze’ er ingeslopen is en niet in de oorspronkelijke tekst voorkwam. Alleen omdat het moeilijk was om te vertalen zonder de toevoeging ‘in Efeze’ heeft men het zo gelaten. Kritische uitgevers plaatsen het meestal tussen vierkante haken. Enkelen geven in de marge de opmerking ‘weg te laten’. Bijna altijd worden er vraagtekens bij geplaatst. In ieder geval hoort ‘in Efeze’ er niet te staan!

Deze brief verwijst nergens naar plaatselijke omstandigheden. De apostel denkt niet aan een speciale plaats. Het thema wordt ontwikkeld langs de breedste lijnen. Er is geen sprake van speciale raadgevingen zoals in Korinthe of correcties zoals in Galatië en Kolosse. De brief is van dusdanige aard, dat elke gelovige in Christus Jezus, ongeacht plaats of tijd, hem dient te lezen. Hij is op ons van toepassing, alsof hij nog maar net uit de pen van Paulus gevloeid is.

Deze brief was bestemd voor alle heiligen in Christus Jezus en had gezonden moeten worden aan alle gelovigen, die onder het onderwijs van Paulus waren geweest. Anderen zouden hem niet begrepen hebben. Omdat hij voor hen geschreven werd, moet hij ook aan hen verzonden zijn. Slechts enkelen van die gelovigen woonden in Efeze. Anderen bevonden zich in Korinthe, Thessalonika, en in Galatië, Filippi en Kolosse of waar dan ook, waar Paulus gepredikt had.

Wij noemen de brief ‘de Brief aan de Efeziërs’, omdat hij nu eenmaal een naam moet hebben en omdat hij door de eeuwen heen zo genoemd is. Daarom zeggen wij: ‘de Brief aan de Efeziërs’, maar met het voorbehoud, dat die naam willekeurig is. Liever hadden wij de brief genoemd: ‘De Algemene Brief van Paulus of zijn volkomenheidsbrief’.

In de overgangsperiode, die voorafging aan de huidige geheime bedeling van Gods overstijgende rijkdom van genade, schreef Paulus zijn brieven aan de Thessalonicenzen, Romeinen, Korinthiërs, Galaten en zijn eerste brief aan Timotheüs. De vraag zou nu kunnen zijn: Is door de openbaring van het geheimenis in de brief aan de Efeziërs en de overige volkomenheidsbrieven alles, wat Paulus voor die tijd schreef – nl.: aan de Romeinen, Galaten en Thessalonicenzen – helemaal niet meer van kracht, of handhaven wij de inhoud van die brieven en beschouwen wij de brief aan de Efeziërs als een aanvulling hierop? Of, de derde mogelijkheid – tussen deze twee uitersten: wij accepteren ze als één geheel maar dan wel met uitvoerige, gedetailleerde aanvullingen in overeenstemming met latere openbaringen. De vraag is: Is deze brief, evenals de voorafgaande, geadresseerd aan hen, die in Christus Jezus zijn?

Het derde aspect van het geheimenis geeft op deze vragen een bevredigend antwoord. Wij zijn gezamenlijke bezitters van de belofte in Christus Jezus door het evangelie waarvan Paulus de dienaar werd (Ef.3:6-7).Let vooral op de verleden tijd van worden: ‘werd’. Het bewijs wordt hier geleverd, dat Paulus het heeft over het evangelie dat hij gepredikt had. Het wordt afgegrensd door de titel ‘Christus Jezus’ van wat er in de eerdere brieven staat en heeft in geen geval betrekking op zijn bediening in de synagogen, waarvan in Handelingen sprake is. In dat evangelie waren de natiën deelhebbers, maar geen gezamenlijke deelhebbers. Het was: eerst de Jood. De natiën kwamen op de tweede plaats. Maar het geheimenis dat nu onthuld wordt is niet dat de natiën deelhebbers zijn, maar: gezamenlijke deelhebbers.

In het algemeen gesproken hebben wij hier dus het antwoord op onze vragen. Alle eerdere brieven van Paulus zijn definitief voor ons bestemd. Echter: met wijzigingen, die betrekking hebben op de voorrangspositie van Israël. De Brief aan de Efeziërs is niet een nieuwe vaststelling van het voorafgaande evangelie van Paulus. Dat zou nutteloos zijn. Iedereen aan wie het nieuwe geheimenis onthuld werd, kende het paulinische evangelie al. Alles, wat zij nodig hadden, was het vermogen om het aan te passen op het grotere licht.

Als gevolg daarvan staat de Brief aan de Efeziërs vol met zaken, die aansluiten op, maar ook in tegenstelling zijn met Paulus’ eerdere onderwijs. De brief geeft niet alleen een brede basis, waarop wij onze houding t.a.v. de overige brieven van Paulus moeten stoelen, maar er worden ons veel nadere bijzonderheden verteld en het karakter van het verband tussen die twee wordt zorgvuldig besproken en overwogen. In deze studie zullen wij ons beperken tot deze twee aspekten. In welk opzicht beïnvloedt het feit, dat wij nu gezamenlijke deelhebbers zijn, de eerdere brieven van Paulus? En: wat is het karakter van het verband tussen die twee? Gaat het gewoon om een breuk, een verdere ontwikkeling of een alles overtreffende, toegevoegde heerlijkheid?

Op het derde aspect van het geheimenis gaat de apostel in in de laatste elf verzen van het tweede hoofdstuk. Daar herinnert hij zijn lezers eraan wat zij in het vlees waren in de tijd, dat de brief aan de Efeziërs nog niet geschreven was. Dit hoofdstuk kan ons bij ons onderzoek heel nuttig zijn. Maar het is van het allergrootste belang op te merken, dat de tegenstellingen niet met de plaats van de natiën in de geest te maken hebben – zoals geopenbaard in Paulus’ brieven, maar met hun plaats in het vlees – zoals te zien is in het boek Handelingen. Inderdaad, de grote moeilijkheid die vrijwel iedereen heeft om dit hoofdstuk te begrijpen, ligt in het over het hoofd zien van dat onderscheid.

De tekortkomingen zijn fysiek en niet geestelijk. In de eerdere brieven van Paulus komt de geestelijke eenheid tussen Jood en heiden duidelijk naar voren. In Handelingen staan hun fysieke verschillen op de voorgrond. Zoals uit Handelingen blijkt, zijn de natiën alleen in het vlees gescheiden van Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, gasten van de verbonden en de beloften, geen hoop hebbend en zonder God in de wereld. Dat blijkt heel duidelijk uit de aanwezigheid van Trofimus, de Efeziër, in Jeruzalem. Alleen al het gerucht, dat hij in het tempelterrein in Gods nabijheid zou zijn gebracht, veroorzaakt een rel met de gevangenneming van Paulus als gevolg (Hand.21:27-29).

Al die fysieke tekortkomingen worden in de geschriften van Paulus nadrukkelijk ontkend en daarom wordt het contrast ontwikkeld aan de hand van Handelingen. De grote verandering wordt gesymboliseerd door het omverhalen van de scheidsmuur, waarvan men veronderstelde, dat Trofimus die overschreden had (Ef.2:14). Daarbij komt nog de afschaffing van de apostolische inzettingen door de apostel (Ef.2:15; Hand.15:20;16:4). Het gevolg is dat de in Handelingen aan de natiën toegewezen plaats geheel niet waar meer is. Daar waren zij nog gasten en bijwoners. Nu zijn wij medeburgers. Daar waren zij buitenstaanders. Nu zijn wij leden van Gods huisgezin. Daar werden zij verre gehouden van de heilige plaatsen. Nu zijn wij Gods woonplaats in de geest (Ef.2:19-22).

Heel nadrukkelijk wijzen wij erop, dat deze tegenstellingen niets te maken hebben met de positie van de natiën in de geest, zoals die in de eerdere brieven van Paulus naar voren komt, maar wel met hun fysieke positie ten tijde van het schrijven van deze brieven. In die eerdere brieven worden die fysieke tekortkomingen nauwelijks genoemd. Iemand, die ze in deze tijd leest, zou zich kunnen afvragen, of zij wel bestonden. De grote kloof tussen de schrijversbediening van Paulus en het verslag in Handelingen wordt duidelijk, als wij een vergelijking maken tussen het verslag van zijn verblijf in Thessalonika (Hand.17:1-9) en de Brieven die kort daarna aan de gelovigen aldaar geschreven werden. In Handelingen is het alles Joods. In de brief zou u kunnen denken, dat er helemaal geen Joden in die stad waren. Wel is er sprake van een grote menigte van Godvererende Grieken, die Paulus volgden. Maar dezelfde term in Handelingen suggereert, dat het hier gaat om proselieten.

Voor ons is belangrijk om in te zien, dat – hoewel Handelingen een contrast vormt tot Efeziërs – de brieven wel verband met deze brief hebben. Hoewel het geheimenis van het gezamenlijk deelhebben niet expliciet genoemd wordt, hebben de natiën wel in de geest toegang tot in de tegenwoordigheid van God (Rom. 5:1-2) – niet gehinderd door de scheidsmuur in het heiligdom te Jeruzalem. De door de apostelen uitgevaardigde inzettingen worden niet eens genoemd en fysieke banden met Christus worden nadrukkelijk ontkend (2Kor.5:16). Al die eerdere brieven zijn een voorbereiding op de Brief aan de Efeziërs. In Handelingen hebben Trofimus en Paulus in vleselijk opzicht niets gemeenschappelijks. In de vroege brieven zijn zij in de geest nabij gekomen. In de Brief aan de Efeziërs zijn zij één.

Het tweede aspect van het geheimenis is dat wij een gezamenlijk lichaam vormen. In Handelingen is er geen sprake van een lichaam, hoewel het ongetwijfeld in die tijd al wel bestond. Maar in Romeinen en Korinthiërs wordt het bestaan van het lichaam al geopenbaard, lang voordat het geheimenis van het gezamenlijke lichaam bekend werd gemaakt. Onze belangrijkste vraag zou dus kunnen luiden: Is het in Romeinen en Galaten genoemde lichaam hetzelfde als dat waarvan in Efeziërs sprake is?, of: gaat het om een heel ander lichaam? Hier zien wij ons genoodzaakt een middenpositie in te nemen. Het is hetzelfde lichaam, maar met wijzigingen. Het bestaat uit dezelfde groep gelovigen, maar de samenstelling ervan is veranderd in overeenstemming met de hogere en latere openbaring.

Het in Korinthiërs genoemde lichaam was geen samengevoegd lichaam. De betekenis van die term is niet zo duidelijk als zij in onze taal lijkt. Het gaat om een lichaam waarin gelovige Joden en heidenen dezelfde status, hetzelfde aanzien en dezelfde eer genieten. Op aarde bestaat zoiets niet. Wij kennen geen lichamen die wij ‘samengevoegde lichamen’ zouden kunnen noemen. Er wordt dus een nieuw Grieks woord gebruikt, omdat het begrip tot dan toe onbekend was. Wellicht bestaan er zulke hemelse lichamen, maar op aarde kennen wij ze in ieder geval niet. Het lichaam dat in Korinthiërs zo uitvoerig beschreven wordt, was een aards lichaam met een hoofd, als hoogste in rang en leden, die van elkaar verschilden in aanzien, kracht en eer. God verenigde hen door wederzijdse genegenheid en behoeften.

In het lichaam, zoals dat in Korinthiërs beschreven wordt, zou de besnijdenis aanspraak kunnen maken op de belangrijkste plaats. De gaven – 1/apostelen; 2/profeten; 3/leraars; gevolgd door de andere genadegaven – rechtvaardigen de aanspraak op een hogere plaats. Maar in een samengevoegd lichaam verdwijnen die verschillen. Nu zijn Jood en heiden de ontvangers van zo’n overweldigende genade, dat zij tot eenheid worden (Ef.2:1-10). De ongelijkheid op grond van de gaven wordt onmogelijk in het gebied van zuiverste genade. Niemand kan roemen, want allen zijn Zijn werk.

Onze conclusie is daarom, dat er sprake is van één lichaam, nl.: zoals beschreven in Rom.12:4-8 en 1Kor. 12:12-31, echter rekening houdend met de aanpassingen, zoals in de Brief aan de Efeziërs bekend worden gemaakt. Het is hetzelfde lichaam, bestaande uit dezelfde groep gelovigen, maar wel aangepast aan de verandering in bedeling. Niet alleen hebben alle leden dezelfde positie, zijnde een samengevoegd lichaam, maar ook de genadegaven hebben een wijziging ondergaan. De gaven die te maken hadden met het nabijgekomen Koninkrijk, zoals in Handelingen, zijn niet meer van kracht. Er is geen sprake meer van aardse zegeningen. In de Brief aan de Efeziërs is alleen nog sprake van apostelen, profeten, evangelisten en herders en leraars.(4:11).

Dat komt perfect overeen met wat er in 1Kor.13 staat. Daar worden sommige gaven nadrukkelijk beperkt tot de tijd van onvolwassenheid. In Efeziërs wordt ook aan de profetie haar juiste plaats toegewezen. Profetie en de apostolische bediening zijn in het fundament (Ef.2:20). Nu het fundament stevig gelegd is, hebben wij het gezag van een apostel of de openbaringen van een profeet niet meer nodig. Iedere vorm van profetie in onze tijd kan alleen maar een ander fundament leggen, dat niet van God is. Onder alle valse profeten, die zich inmiddels hebben gepresenteerd, zijn wij er nooit één tegengekomen, die ook maar het flauwste idee had van het enige fundament, waarop de huidige bedeling van genade gegrond is.

De bestemming van het ene lichaam wordt in de vroege brieven niet duidelijk geopenbaard. Alleen in Efeziërs lezen wij de geweldige waarheid, nl.: dat het lichaam de completering van de verheerlijkte Christus is met betrekking tot Zijn overhemelse positie en Zijn uitvoerende macht zal zijn bij het bestuur van het hele universum (Ef.1:22-23). Toen kon het nog niet geopenbaard worden, omdat het geheimenis van Christus als Hoofd over alles nog niet bekend was. In Handelingen lezen wij niets over Zijn heerschappij in de hemelse gewesten. Dat boek gaat niet verder dan Zijn Koninkrijk op aarde bij Zijn terugkeer voor Israël en kent geen Koninkrijk elders.

Maar toch zijn er in de vroege brieven van Paulus sporen die verwijzen naar een hemelse heerschappij. Paulus vraagt nl. aan de Korinthiërs: ‘Weet gij niet dat wij boodschappers zullen richten?’ (1Kor.6:3). Ook wijst hij erop, dat er in de opstanding sprake is van hemelse lichamen (1Kor.15:40). Lijkt het er daar dan niet bijna op, dat sommige mensen een hemelse bestemming zullen krijgen?

Het eerste aspect van het geheimenis is, dat de natiën nu gezamenlijke deelhebbers zijn aan een lotdeel (Ef.3:6). Daarop wordt uitvoerig ingegaan aan het begin van de brief aan de Efeziërs (1:3-14). De apostel gaat op dit onderwerp in tot het moment dat er sprake is van een ander contactpunt bij zijn eerdere brieven. Deze nieuwe openbaring moest beperkt blijven tot hen die in die tijd een voorverwachting in Christus hadden (Ef.1:12). In Handelingen vinden wij niets over het bestaan van zo’n groep gelovigen. Toch is het het belangrijkste thema van de Brief aan de Thessalonicenzen. Daarin lezen wij, dat zij Zijn Zoon uit de hemel verwachtten (1Thess.1:10). Zij verkeerden niet in duisternis, zodat de dag des Heren hen als een dief zou overvallen (5:4). Zij waren niet gesteld tot toorn, zoals de gelovigen in Israël die zullen ondergaan, voor de komst van de Here voor hen. Zij mochten rekenen op redding, ongeacht of zij sluimerden of waakten. Dat zou gebeuren bij het afdalen van de Here uit de hemelen en hun wegrukking om Hem in de lucht te ontmoeten (1Thess.4:13-17). Dat was een speciale openbaring aan Paulus, die hij bekend mocht maken na zijn afzondering van de besnijdenis. In Handelingen is hiervan helemaal geen sprake, omdat het niets te maken heeft met het komende Koninkrijk. De natiën hadden hierdoor een voorverwachting. De opname is een speciaal kenmerk voor de ontvangers van de boodschap van Paulus. Hij maakt dus gebruik van dit speciale verwachtingsgoed om aan te geven wie de geadresseerden van zijn brief zijn. Het gaat dus om een verwachtingsgoed dat voorafgaat aan dat gerealiseerd wordt, voordat Christus komt voor de besnijdenis.

Maar wat betekent dat nu in feite? De gelovigen hangen samen met het onderwerp als het ware ‘in de lucht’. Van een permanente verblijfplaats is dus nauwelijks sprake. Is het de bedoeling, dat zij weer naar beneden komen en ondergeschikt worden aan Israël? Of: gaan zij samen met Hem naar de hemelse gewesten? In Efeziërs lezend krijgen wij het antwoord. Als zij weer naar beneden zouden komen, kan er geen sprake zijn van tezamen lotgenieters. Israël krijgt tijdens de aeonen de eerste plaats op aarde. Dat kunnen wij hun niet afnemen. Hoewel Gods gaven uitgesteld kunnen worden, worden zij nooit berouwd. Wij moeten omhoog om tezamen lotgenieters te kunnen worden. Maar: hoe zouden wij zonder Christus een plaats kunnen innemen temidden van de overhemelsen? Daarom maakt de apostel eerst het geheimenis van Christus bekend: Christus als Hoofd over het ganse universum (Ef.1:10). Wij krijgen een plaats met Hem in de hemelen.

De eerste Brief aan de Korinthiërs roept dezelfde vragen op. Hoe moeten wij boodschappers richten of over hen regeren, vanuit onze ondergeschikte positie op aarde? Wij kunnen niet als vogels in de lucht vliegen. Hoe moeten wij gezag uitoefenen over boodschappers, die dat wel kunnen? Iets van een antwoord vinden wij in het vijftiende hoofdstuk. Waarom zou er sprake zijn van hemelse lichamen in verband met onze opstanding? Wat heeft de heerlijkheid van de zon, maan en sterren te maken met onze levendmaking? Het wordt niet gezegd. Maar hij deelt ons een geheimenis mee. Wij zullen veranderd worden. Wordt in de opstanding iedereen dan niet veranderd? Dat is geen geheim. Maar de verandering in een ogenblik was tot dan toe niet bekend. Het kan niets anders betekenen dan een lichaam, dat aangepast is aan hemelse omstandigheden.

Dus, hoewel er voortdurend sprake is van tegenstellingen m.b.t.alles wat te maken heeft met de besnijdenis en Handelingen, is er tegelijkertijd sprake van voortdurende aansluiting bij de eerdere paulinische brieven. Het is nog ‘onvolkomen’ (1Kor.13:12) – om Paulus’ eigen woorden te gebruiken. De tendens is duidelijk genoeg, nl.: wegneming uit het fysieke en aardse naar het geestelijke en hemelse. Maar: onze bestemming wordt niet en kon ook niet geopenbaard worden, zolang God nog bemoeienis had met Zijn afvallige volk Israël. Het ging van heerlijkheid tot heerlijkheid, waarbij elke nieuwe openbaring stoelde op de voorafgaande (2Kor. 3:18).

Een tweede bevredigende oplossing voor ons probleem vinden wij in de voorzieningen die de apostel treft om de heiligen uit zijn tijd op de hoogte te brengen van hun nieuwe positie in Christus Jezus. Er worden apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars gegeven om de heiligen aan te passen met het oog op hun bediening, voor de opbouw van het lichaam van Christus, opdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en de volle kennis van zoon van God, tot de mannelijke rijpheid, de volwassenheid van de completering van Christus, zodat wij niet meer onmondig zijn (Ef.4:11-14).

De woorden die wij cursief gedrukt hebben, dienen nauwkeurig bestudeerd te worden. Geen enkele van die woorden suggereert een breuk. Het eerste woord is het belangrijkste. Wat bedoelt de apostel met aanpassen? De gebruikelijke vertalingen spreken hier van ‘herstellen’ (Matth. 4:21; Mark.1:19), ‘terechtbrengen’ (Luk.6:20; 2Kor.13:11; 1Thess.3:10; Hebr.13:21; 1Petr.5:10), ‘geschikt’ (Rom.9:20), ‘herstellen’ (Gal.6:1); ‘bereiden’ (Hebr.10:5), ‘tot stand brengen’ (Hebr.11:5), ‘vast aaneengesloten’ (1Kor.1:10). Duidelijk is, dat wij op grond van al deze vertalingen niet tot een juist begrip van het gebruikte grondwoord kunnen komen. Het Concordante Engelse Nieuwe Testament gebruikt daarom de synoniemen ‘aanpassen’ en ‘op elkaar afstemmen’.

De meeste van de gebruikelijke vertalingen stemmen overeen met onze bewering, dat er geen sprake is van een breuk tussen de eerdere bedelingen en de huidige bedeling van Gods genade. Maar één woord, nl.: ‘herstellen’, suggereert dat wel. Wij lezen in Matth.4:21, dat Jakobus en Johannes met hun vader bezig waren in het schip hun netten te herstellen. Maar dat is tegenwoordig heel ongebruikelijk. Wel heb ik vissers gezien, die in hun schip bezig waren hun netten zodanig geschikt te maken, dat zij weer klaar lagen om opnieuw gebruikt te worden voor een nieuwe vangst. Maar ik heb nooit gezien, dat zij aan boord hun netten aan het herstellen waren. Dat doen zij op plaatsen, die daarvoor beter geschikt zijn. Iedere keer dat de netten gebruikt zijn, moeten zij weer voor een volgende vangst ontward en netjes opgevouwen worden. Daarom is de vertaling ‘geschikt maken’ veel beter dan ‘herstellen’.

Er zijn ook schriftplaatsen waar ‘herstellen’ helemaal niet terzake is. Onze Here kwam niet met een hersteld lichaam, maar met een lichaam, dat geschikt gemaakt was aan het nieuwe gebied, waarop Hij zou gaan dienen (Hebr.10:5). Er is geen sprake van een gerepareerde gestalte Gods. Daarom kunnen wij er zeker van zijn, dat de gaven gegeven werden om de heiligen ‘aan te passen’, ‘geschikt te maken’ of ‘af te stemmen’ op een nieuwe onthulling. Diezelfde bediening is ook nu nog nodig voor gelovigen, die de waarheid van Paulus’ vroegere brieven ontvangen. Helaas moeten wij toegeven, dat er nog heel wat meer nodig is, omdat de meeste gelovigen gestrand zijn in Handelingen. Alleen een absolute breuk met die bedeling is noodzakelijk om hen voor te bereiden op de meest elementaire beginselen van de voor ons bestemde genade in Christus Jezus.

Die aanpassing was gebaseerd op de verandering van een incomplete in een complete openbaring van Gods Plan, van een ondergeschikte in een gelijkwaardige plaats in Zijn genade en van een aardse in een hemelse bestemming.

De volgende belangrijke functie van de gaven aan de uitgeroepen gemeente was om hen van onvolwassenheid tot volwassenheid te brengen. Hoewel die verandering verstrekkend en plotseling moge lijken, betekent zij toch niet dat alles terzijde werd gesteld. In 1 Kor.13 spreekt Paulus uitvoerig over onvolwassenheid en volwassenheid. Duidelijk wordt, dat de gelovigen in die tijd nog niet volwassen waren. ‘Want’, zegt hij, ‘nu zien wij nog als in een spiegel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht’. Hier spreekt hij niet over de ontmoeting met de Here, maar over de volle kennis, waarvan sprake zal zijn in een periode, dat de heiligen volwassen geworden zullen zijn. Die tijd was aangebroken, toen de Brief aan de Efeziërs werd geschreven.

Nog steeds is het de taak van de herder en leraar om zijn hoorders van onvolwassenheid tot volwassenheid te leiden. Maar, helaas, hoeveel leiders van Zijn geliefde heiligen zijn zelf volwassen? De meeste waarde lijkt gehecht te worden aan de gaven die nu juist op onvolwassenheid wijzen. Het lichaam van Christus wordt omlaag getrokken en niet opgebouwd. Geestelijkheid wordt verward met emotie en heel vaak met het streven naar tijdelijke, voorbijgaande gaven.

Is het verwonderlijk, dat gelovigen heen en weer bewogen worden met elke wind van leer? Zolang de heiligen de voorkeur geven aan de onvolwassenheid van Paulus’ vroege brieven of zelfs aan het kindschap van Handelingen, zullen zij nooit vast kunnen staan in de waarheid, maar de dwaling standvastig aanhangen.

Een ander interessant bewijs van de nauwe samenhang tussen alle geschriften van Paulus lezen wij in het laatste gedeelte van Efeziërs. Hij aarzelt niet om te verwijzen naar onderwijs dat in het eerste gedeelte niet voorkomt. De wapenrusting Gods (Ef.6:13) bestaat gedeeltelijk uit gerechtigheid en het evangelie van de vrede. Dat evangelie is gericht op de voeten, ons contact met de wereld. Het slaat niet op de vrede van het tweede gedeelte van Efeziërs, tussen Jood en heiden, maar op Rom.5 en 2 Kor.5. Gerechtigheid verwijst terug naar het derde en vierde hoofdstuk van Romeinen.

Rechtvaardiging komt in de gevangenisbrieven niet voor. Dit geldt ook voor de verzoening (eenzijdig). Deze thema’s worden practisch uitsluitend besproken in de voorbereidende brieven (Romeinen, 1 en 2 Korinthiërs, Galaten). De nieuwe open- baring tast hun geldigheid niet aan en zij ondergaan ook geen opvallende verandering, tenzij wij zouden op-merken, dat het verschillend gebruik van de voorzetsels met betrekking tot de rechtvaardiging van besnedenen en onbesnedenen: uit en door niet meer van kracht is (Rom.3:30). Beide groepen worden nu gerechtvaardigd door geloof, want er zijn onder de besnedenen geen gelovigen meer, die geen deelhebben aan deze genade.

Het woord ‘verordeningen’ (Ef.2:15) suggereert dat alle voorschriften, speciaal de doop en de maaltijd des Heren, niet meer van toepassing zouden zijn. Maar de vertaling is onjuist. Het verwijst naar de voorschriften van de apostelen (Hand.15:20). Er is niets wat er op wijst, dat bovengenoemde handelingen afgeschaft zouden zijn. Wij moeten ze elk op zich bekijken overeenkomstig hun verdiensten. Alles wat speciaal aan Paulus na zijn afzondering geopenbaard werd, heeft een sterke claim om een permanent karakter. Van zaken die binnengeslopen zijn vanuit het voorafgaande koninkrijksgetuigenis is dit niet zo zeker.

Dan zegt A.E. Knoch: ‘De waterdoop werd aan Paulus nooit opgedragen. Christus zond hem niet om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen (1Kor.1:17). Hij deed het zelf zelden. Hij leert ons dat wij allen in een geest in een lichaam gedoopt zijn (1Kor.12:13). Het lichaam van Christus kan niet bestaan zonder doop van de Geest. In zijn vroege brieven is er sprake van twee soorten doop. In Efeziërs vinden wij er maar één (Ef.4:6). Zelfs de waterdoop verliest zelfs de onbestendige plaats, die zij bezat. De waterdoop is niet voor ons.’

Hij vervolgt: De maaltijd des Heren is een heel andere zaak. Paulus ontving die niet van hen, die hem voorgingen, zoals wij zouden verwachten. Hij ontving hem door een speciale openbaring van de Here (1Kor. 11:23). Hij droeg hem op aan de Korinthiërs en corrigeerde het verkeerde gebruik, dat zij ervan maakten. Wat een enorm verschil met de aandacht, die er in dezelfde brief aan de doop wordt gegeven!

Een andere belangrijk verschil is de voortgang van de gaven. Zij waren beperkt tot de status van minderjarigheid, waarin de uitgeroepen gemeente verkeerde en waren niet meer van kracht bij de komst van de volwassenheid. Maar, hoewel Paulus zich volkomen bewust was van alle veranderingen, distantieert hij zich nadrukkelijk van de afschaffing van de maaltijd des Heren. Die moet gehouden worden tot de komst van Christus. Het ‘verbond’ dat ermee in verband wordt gebracht, slaat op de bedeling der gerechtigheid (2Kor. 3:6,9), dat in het derde en vierde hoofdstuk van Romeinen letterlijk naar voren wordt gebracht.

Concluderend: De brief aan de Efeziërs is een algemene brief, die door Paulus geschreven werd aan hen, die evenals hijzelf, afgezonderd werden van de rest en verenigd met de verheerlijkte Christus in plaats van met de verworpen Messias. Toen de bestemming van de twaalf apostelen en hun volgelingen duidelijk geopenbaard was, culminerend in het Koninkrijk van Israël op aarde, was de nieuwe bestemming van het lichaam van Christus nog niet bekend. In Efeziërs wordt dat geheimenis geopenbaard en daarom is het alleen bestemd voor hen, die in Christus Jezus zijn. In deze tijd is de Koninkrijksbedeling niet meer van kracht, ondanks het feit dat de kerk niets weet van het geheimenis van Christus, nog steeds de twaalf apostelen navolgt en Paulus verwerpt. In genade zijn allen verenigd met de opgestane en opgevaren Christus. Laten wij daarom bidden, dat God aan Zijn heiligen de overstijgende heerlijkheid die zij ‘in Christus Jezus’ bezitten, wil openbaren.

Vertaling en bewerking: A.E. Dekker
Verwante onderwerpen:
Efezebrief
geheim
hemel
verwachting
Schriftindeling
Deel met anderen