Het adres op de envelop – kort

Dit artikel is een verkorte herziening van Het adres op de envelop.

God heeft Zich in Zijn Woord op vele manieren geopenbaard. Zijn laatste en hoogste openbaringen kennen wij in de vorm van brieven, in het bijzonder die van Paulus. Brieven moeten van een adres zijn voorzien om er zeker van te zijn, dat ze bij de juiste personen terechtkomen. Daarom is het wel zo netjes om vóór het openen van de brief na te gaan of die wel voor ons bestemd is. Een voorbeeld van zo’n adressering is Efeziers 1:1. Daarover willen wij het hierna hebben.

De naam Paulus
De naam “Paulus” heeft een vreemde klank voor iemand, die gewend is aan de Hebreeuwse titels van veel oude boekrollen. Paulus was vanzelfsprekend een Israëliet, zoals de meesten van de door God geïnspireerde schrijvers. Hij heette oorspronkelijk Saulus, maar God veranderde die Hebreeuwse naam (שאול (Shaoél), “Gevraagde”) in de niet-Hebreeuwse naam Paulus. Die verandering vond plaats op het keerpunt in Paulus’ leven, toen hij afgezonderd werd van zijn broeders voor een speciale bediening onder de natiën (Hand.13:2-3). Maar dat is niet het enige, want bij de allereerste keer, dat wij lezen over een rechtstreekse prediking van het evangelie aan een heiden- niet aan een proseliet – wordt ons bijna terloops verteld, dat Saulus “ook Paulus”genoemd werd. Dat gebeurde tijdens zijn reis door Cyprus (Hand.13:4-12). Ook de proconsul te Cyprus droeg die naam: Sergius Paulus, een heiden, de eerste die het evangelie aannam zonder eerst proseliet te worden. Maar nog opvallender is het optreden van Paulus tegenover Elymas, de tovenaar, die erop uit was de proconsul van het geloof te doen afvallen. Elymas staat zonder twijfel model voor Israël en de tegenstand van die zijde tegen Paulus’ bediening aan de natiën. Opmerkelijk is het wonder, dat Paulus toen deed en dat zo’n schrille tegenstelling vormt met zijn andere, genadevolle daden: hij bracht een blindheid over de afvallige Jood voor een bepaalde tijd (lett. “tot een era”). Zo kwam Elymas ook model te staan voor de verblinding van Israël als Paulus aan de natiën redding verkondigt.

De naam Paulus (Paulos) is in volledige overeenstemming met de aard van zijn bediening. Meestal wordt aangenomen, dat Paulus een Romeinse naam was, die “kleine” betekent. Maar het is veel waarschijnlijker, dat de naam uit het Grieks komt, van de woordstam pau, dat “ophouden”betekent. Denk maar aan ons woord “pauze”. Zijn naam is dan ook een verwijzing naar de pauze in Gods handelen met Israël: de tussentijd, waarin het volk, net zoals Elymas, blind is (Rom. 5:11). Dat is belangrijk om te weten. Want steeds als wij één van de brieven van Paulus lezen, moeten wij ons ervan bewust zijn, dat wat hij schrijft, betrekking heeft op de periode van Israëls blindheid. Het feit dat alle brieven van Paulus zijn naam dragen, maakt ze tot een eenheid en doet ze samenvallen met de periode, waarin Gods genade de natiën toestroomt (zie: “De Kalender van God”).

Kalender van God

Paulus stelt zichzelf voor al naar gelang het karakter van de brief. Als het over dienstbetoongaat, stelt hij zich voor als slaaf. Als het een leerstellig betoog met autoriteit van Paulus betreft, introduceert hij zich als apostel. Maar gaat het om gemeenschap van broeders, dan worden ook andere namen genoemd. De zogenoemde “volkomenheidsbrieven” (Efeziërs, Filippenzen en Colossenzen) zijn hiervan mooie voorbeelden. Als bevoegd onthuller van het geheimenis richt hij zich tot zijn lezers in de brief aan de Efeziërs als apostel. In Filippenzen, waarin het vooral gaat om dienstbetoon en broederschap, gebruikt hij de titel slaaf, samen met Timotheüs. In Colossenzen, waarin hij schrijft over correctie en eensgezindheid, is hij weer de apostel, samen met Timotheüs. 

Paulus, apostel
De openbaring van het geheimenis staat of valt met Paulus’ autoriteit als apostel. Er waren nogal wat mensen die zijn recht op die titel ontkenden of afwezen. Hij behoorde immers niet tot de twaalven. Op die plaats kon hij geen aanspraak maken. Hij werd pas apostel, nadat het belangrijkste deel van de bediening van de twaalf apostelen een feit was. De plaats van Judas moest worden ingenomen door iemand, die met Christus was omgegaan vanaf de doop van Johannes tot en met Zijn hemelvaart (Hand.1:21-22). Dat was een voorwaarde, waaraan Paulus, die helemaal niet met Hem was omgegaan, niet voldeed. Het was nodig, dat hij onze Here eerst leerde kennen na Zijn hemelvaart. Hij is de apostel van ChristusJezus, de Verheerlijkte, niet van Jezus Christus, de verworpen Messias

De titel apostel wordt vaak in verband gebracht met “gezondene”. Maar het woord kent het gebruikelijk element dat op zenden wijst niet. Apostel is opgebouwd uit twee elementen, nl.: apo (= vanaf) en stellõ (= stellen). De letterlijke betekenis is dus “vanaf-gestelde”. Paulus’ functie is het best te vergelijken met een ambassadeur, een gevolmachtigd gezant. Een apostel kreeg volmacht om zaken uit te voeren. De twaalven kregen volmacht van de Heer, toen Hij nog bij hen was. Paulus kreeg die volmacht niet van hen of via hen, maar van de Heer Zelf. Dit verschil in volmacht met die van de twaalven is er al het bewijs van, dat Paulus onmogelijk tot de twaalf apostelen gerekend kan worden.

Zoals wij zagen, is de functie van apostel niet beperkt tot de twaalf apostelen. Voor Israël was twaalf altijd een vereiste, omdat de twaalf stammen twaalf leiders nodig hadden. Maar die voorwaarde gold niet voor de onbesnedenen, de heidenen. Paulus steekt met kop en schouders zelfs boven Petrus uit, de leider van de twaalf apostelen, want hij is de enigeapostel die ons de hoogste geheimenissen onthuld heeft. Hoewel in de Brief aan de Colossenzen in de begroeting ook Timotheüs genoemd wordt, wordt hij daar niet voorgesteld als apostel. Hij is gewoon “Timotheüs, onze broeder”. En nu alle genoemde mannen overleden zijn en alleen Paulus zijn brieven heeft nagelaten, is hij voor ons, behorende tot de natiën, de enige apostel, de enige autoriteit met betrekking tot leer en praktijk.

Herhaaldelijk schrijft Paulus zijn apostelschap toe aan de wil van God (1Cor. 1:1; 2Cor.1:1; Col.1:1; 2Tim.1:1). Niemand van de twaalf apostelen heeft dat gedaan. Zij werden door Christus uitgekozen naar het geopenbaarde raadsbesluit van God. Hun opdracht, loopbaan en alles wat wij verder over hen weten, lag in de lijn van Jahweh’s beloften, neergelegd in de wet, de profeten en de psalmen. Hoewel bepaalde details en ontwikkelingen wellicht geheim geweest zijn, verliep alles toch volkomen volgens een van tevoren bepaald plan. Eén van de bijzonderheden bij de roeping van Paulus was, dat hij door God bestemd was Zijn wil te kennen (Hand.22:14). Dat kan onmogelijk slaan op kennis van de Hebreeuwse geschriften, maar op zaken die nog niet geopenbaard waren. Het was het speciale voorrecht van Paulus om inzicht te krijgen in zaken met betrekking tot Gods plan, die tot dan toe volstrekt onbekend en nog niet geopenbaard waren. Zijn benoeming tot apostel door de wil van God suggereert al, dat er sprake is van een nieuwe start in Gods heilshandelen. 

Het adres
Tot zover heeft de schrijver van de brief aan de Efeziërs zich aan ons voorgesteld. Vervolgens adresseert hij de envelop. Bij het noteren van de bestemming van zijn brief noemt hij de geadresseerden: “aan al de heiligen, die ook gelovigen zijn in Christus Jezus”. De kracht van het “zijn in Christus Jezus” blijkt bij gelovigen al heel vroeg in de geschiedenis verloren te zijn gegaan. Vaak wordt er aan de namen en titels van onze Here slechts weinig aandacht besteed. Het in veel evangelische kringen gebruikelijk noemen van de eigennaam “Jezus” doet ons vaak pijnlijk en oneerbiedig aan. Helaas, zijn er maar weinig mensen die het verschil kennen tussen “Christus Jezus” en “Jezus Christus”! Toch is dat nu juist in de adressering zo belangrijk.

Allen, die op God gericht zijn, zijn heiligen. Dat is de meest algemene benaming voor gelovigen. Van Adam en Abel af tot de laatste geroepene in de nog komende eonen, in ieder tijdvak en alle bedelingen, worden niet alleen mensen, maar ook boodschappers “heiligen” genoemd. Toen Paulus deze brief schreef, bestonden er twee groepen heiligen. De ene groep – behorend bij de twaalf apostelen, meestal afkomstig uit de Besnijdenis, inclusief proselieten – beleed Jezus Christus als de verworpen Messias. De andere groep – behorend bij Paulus, vooral afkomstig uit de onbesnedenen, de natiën – erkende Hem als de nu in de hemelen verheerlijkte Heer, als Christus Jezus. Aan hen werd deze brief geschreven.Wij doen er dus goed aan om eerst het adres te lezen van de brieven die ons in de Schrift zijn overgeleverd om te weten of de inhoud ons aangaat of niet. Daartoe dient het hierna gegeven overzicht van alle brieven.

de brieven van paulus

Rom. 1:1-7Paulus, slaaf van Christus Jezus, geroepen apostel, afgezonderd tot Gods evangelie […] aan allen die in Rome zijn, geliefden van God, geroepen heiligen
1 Cor.1:1-2Paulus, geroepen apostel van Christus Jezus door Gods wil, en Sosthenes, de broeder […] aan de uitgeroepen gemeente van God die in Corinthe is, geheiligden in Christus Jezus, geroepne heiligen 
2 Cor.1:1Paulus, apostel van Christus Jezus door Gods wil, en Timotheüs, de broeder […] aan de uitgeroepen gemeente van God die in Corinthe is, samen met al de heiligen die in geheel Achaie zijn
Gal.1:1-2Paulus, apostel niet vanwege mensen noch door een mens, maar door Jezus Christus en door God, de Vader […] aan de uitgeroepen gemeenten van Galatië
Ef.1:1Paulus, apostel van Christus Jezus, door Gods wil, aan al de heiligen, die ook gelovigen zijn in Christus Jezus
Flp. 1:1Paulus en Timotheüs, slaven van Christus Jezus, aan al de heiligen in Christus Jezus die in Filippi, samen met opzieners en dienaren
Col.1:1-2Paulus, apostel van Christus Jezus door Gods wil, en Timotheüs, de broeder […] aan heilige en gelovige broeders in Christus in K0losse
1 Thes.1:1Paulus en Silvanus en Timotheüs, aan de uitgeroepen gemeente van de Thessalonicenzen, in God, de Vader, en de Heer, Jezus Christus
2 Thes.1:1Paulus en Silvanus en Timotheüs, aan de uitgeroepen gemeente van de Thessalonicenzen, in God, onze Vader, en de Heer, Jezus Christus
1 Tim.1:1-2Paulus, apostel van Christus Jezus, in overeenstemming met de bepaling van God, onze Redder, en van de Heer Jezus Christus, onze Verwachting, aan Timoteüs, echt  kind
2 Tim.1:1-2Paulus, apostel van Christus Jezus door Gods wil  […] aan Timotheüs, geliefd kind
Tit.1:1-4Paulus, slaaf van God, echter apostel van Jezus Christus […] aan Titus, echt kind in overeenstemming met gemeenschappelijk geloof
Tit.1:1-2Paulus, gebondene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en onze medewerker, en aan Apfia, de zuster, en aan Archippus, onze .medesoldaat, en aan de uitgeroepen gemeente in jouw huis

DE BRIEVEN AAN DE BESNIJDENIS

Heb.1:1God sprak tot de vaderen in de profeten
Jac.1:1Jacobus, slaaf van God en van de Here Jezus Christus aan de twaalf stammen die in de diaspora zijn
1 Petr.1:1Petrus, apostel van Jezus Christus, aan de uitverkoren emigranten van de diaspora, van Pontus, Galatië, Cappadocië, Asia en Bitynië
2 Petr.1:1Simeon Petrus, slaaf en apostel van Jezus Christus, aan hen aan wie een even waardevol geloof als het onze ten deel viel, in de gerechtigheid van onze God en van de Redder, Jezus Christus:
1 Joh.1:1wat wij gehoord, wat wij met onze ogen gezien hebben, aanschouwden en onze handen tastten aangaande het woord van het leven
2 Joh.1:1De oudste aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen, die ik in waarheid liefheb
3 Joh.1:1De oudste aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb.
Judas 1:1Judas, slaaf van Jezus Christus, broeder echter van Jacobus, aan de geroepenen, in God, de Vader, geliefd en door Jezus Christus bewaard:
Deel met anderen