Er staat geschreven

Ik geloof God.
Als wij de meest geheime hoekjes van ons hart doorzoeken, zullen wij waarschijnlijk allemaal daarin overeenstemmen, dat de hoofdoorzaak van onze onrust en onze bezorgdheid het gebrek aan volkomen zekerheid is, de zwakheid van ons geloof, de boze geest van de twijfel, die dikwijls het zwaard van de geest in onze ongeoefende hand tegen onszelf richt en ons op de kwetsbaarste plekken treft.

Zeker, wij hebben het geloof en aarzelen niet daarvan getuigenis af te leggen en wij staan vast in het geloof, 1Kor. 16:13 dat

(…) van de Zoon van God, Die mij liefheeft en Zichzelf voor mij overgeeft. NCV
(Gal 2:20 – NCV)

Dat alleen maakt ons rechtvaardig voor God. Cruciaal is echter, dat wij wandelen door geloof en niet door waarneming. 2Kor. 5:7 Het is gemakkelijker te staan dan te wandelen.

Alles wat ons geestelijk leven en onze geestelijke standvastigheid betreft, hangt van Gods onthullingen af, van Zijn aan ons geopenbaarde woord. Wij hebben geen zichtbare bewijzen en geen tastbaar houvast om de waarheid en de reële waarde van wat wij geloven te controleren. In ieder geval is de situatie zo voor het menselijke verstand.
Als wij echter wijs zijn, zullen wij subjectieve persoonlijke gevoelens met scepsis onder de loep nemen, net zoals de zo vaak geciteerde ‘innerlijke ingeving’ of de ‘innerlijke stem’, waarvan zo veel verdedigers van het geloof ons willen aanpraten, dat wij ons aan de leiding daarvan moeten overgeven.
Zonder de mogelijkheid volledig uit te sluiten, zouden wij zulke zaken met uiterste terughoudendheid en voorzichtigheid moeten bekijken; want wie van ons is zo gerijpt, dat hij met absolute zekerheid kan bepalen, waar zulke ‘innerlijke ingevingen’ vandaan komen.

Het woord is ons dagelijks brood en wij geloven vast, dat de Schrift Gods woord is; maar afgezien van het feit, dat Zijn woord levendmakend is en een opwekkende uitwerking op onze geest heeft (waarvan onze wandel afhangt), zijn het, van menselijk standpunt uit gezien, alleen maar woorden.

Om ons heen nemen wij een wereldbeeld waar, dat aan de toeschouwer geen enkel aanknopingspunt biedt om te geloven aan duurzaamheid. Niets is bestendig, alles is aan gedurige verandering onderhevig, alles is in beweging.
Ook wijzelf verschillen niet van de grote meerderheid van de mensheid. Wij zijn blootgesteld aan dezelfde ziekten, verdragen hetzelfde lijden, delen veel van de menselijke angsten en spanningen en worden helaas ook maar al te vaak in de bedrieglijke verwachtingen en wensen van de mensheid meegesleept, zelfs als wij vermoeden, dat dit niet met de wil van God verenigbaar is. Slechts weinigen van ons bezitten de volkomen zekerheid, die ons vast maakt, zodat wij onwankelbaar kunnen staan. Wij zijn gewoon niet voldoende zeker in onze overtuiging.

Maar wij kunnen zo’n innerlijke zekerheid wel hebben, een absolute zekerheid, die ons in het geloof en in de wandel altijd en onder alle omstandigheden vastheid verleent.
Van één man weten wij met zekerheid, dat hij die had. Hij was een mens zoals wij, een broeder in het geloof, in wiens woorden deze vaste zekerheid meeklinkt. Hij zegt ons, dat het onvoorwaardelijke vertrouwen in God de enige mogelijkheid is om aan alle gepieker en speculaties voor eens en altijd een eind te maken. Dan is ons geloof door helemaal niets aan het wankelen te brengen.
Wat deze man tegen ons zegt is geen theorie, maar doorleefde praktijk. Hij heeft bewezen, wat onwankelbaar, vast vertrouwend geloof is. Herinneren wij onszelf slechts aan een gebeurtenis, waar hij dit heeft laten zien. Wij lezen in de Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 27, daarover een uitvoerig bericht.
In storm en nood op zee werkte hij zich vechtend vooruit, op het door de wind gegeselde dek van het schip, naar de door paniek aangegrepen zeelui en zei tegen hen:

Daarom, mannen, houdt moed (…) ik geloof God  Eig.Vert.
(Hand 27:25 – Eig.Vert.)

Een vertrouwen, dat ook in onmiddellijk doodsgevaar zo onveranderlijk en onwrikbaar blijft, is een schat waar niets tegenop weegt, een debetpost van de rijkdom, die wij door God in Christus mogen hebben. Wat zijn daartegenover dan nog godsdienstige ‘lippenbelijdenissen’ of religieuze overtuigingen.
Zo’n vertrouwen kan alleen voortkomen uit een vaste geestelijke zekerheid, een onverstoorbare geloofszekerheid. Dat Paulus deze overtuiging had, blijkt uit al zijn geschriften.

Er zijn helaas niet veel gelovigen die serieus de Schrift onderzoeken, die de moeite nemen om zorgvuldig te lezen wat Paulus geschreven heeft. En van degenen die dat wel doen, voelen velen zich genoodzaakt opzettelijk twistvragen op te werpen, in plaats van eenvoudig te geloven wat in de Schrift gezegd wordt. Weer anderen zijn van mening, dat het meeste van wat de apostel leert, mensen betreft, die geringere geestelijke kennis hebben dan zijzelf en die volgens hun mening dus onmondig in het geloof zijn.
Zo’n dwaze instelling, zulk onbegrip vermindert vanzelfsprekend op geen enkele manier de onschatbare waarde van de uitspraken van de apostel Paulus, die door de heilige geest geïnspireerde openbaringen van God zijn.

In feite zouden al onze geestelijke problemen zich in het niets oplossen, als wij God in alles zouden geloven, van de waarheid van Zijn woord vast overtuigd zouden zijn, een niet van de wijs te brengen vertrouwen in Hem zouden hebben en ons in onze zekere verwachting niet onzeker lieten maken. Als dat niet het geval is, ligt dit voornamelijk aan onszelf.

Weinigen van ons spannen zich in God zo te leren kennen als zou moeten en zoals mogelijk is. Wie helemaal niet probeert om de goddelijke onthullingen te verstaan, zal altijd halverwege blijven steken en zichzelf beroven van de volle zekerheid. Wie God niet in alles als God erkent, die kan ook niet in alles op Hem vertrouwen en niet in vol bewustzijn zeggen: ik geloof God.

 Wij luisteren bereidwillig naar vele stemmen en timmeren mogelijk een eigen geloofsschema voor onszelf in elkaar, uit allerlei verschillende bronnen.
Veel geroemde predikers maken er (voor zichzelf) aanspraak op Gods woord te verkondigen en wij nemen maar al te gewillig in ons op, wat ons zo welsprekend aan onjuiste menselijke opvattingen over God van de kansel en in de religieuze pers wordt aangedragen.
Wanneer toetsen wij werkelijk zelf of het is zoals ons wordt wijsgemaakt? Hoe vaak onderzoeken wij in de Schrift of de verkondiging met het woord van God overeenstemt?

De Bijbel wordt vandaag de dag meestal als een soort religieus handboek beschouwd, waar de religie eigenlijk net zo goed buiten zou kunnen. De heilige Schriften worden in sterke mate als een verzameling geschiedenissen en uitspraken gezien, die als een naslagwerk gebruikt wordt om willekeurige morele eisen te ondersteunen, terwijl teksten eenvoudig uit hun verband gerukt worden. Dat maakt indruk op religieuze gevoelens, maar heeft helemaal geen echt geestelijke waarde. Is het dan een wonder, dat bij zoveel gelovigen het absolute vertrouwen in God ontbreekt en zij

(…) zwalkend en meegedragen door iedere wind van leer NCV
(Efe 4:14 – NCV)

Tegen de levende waarheid van de openbaringen van God is te allen tijde weerstand ingezet. Verkeerde interpretaties en flagrante vergissingen zijn echter maar voor een gering deel door foutieve vertalingen ontstaan; de hoofdschuld ligt bij menselijke filosofie en vooronderstellingen. Daarvan zijn ongelukkigerwijze ook diegenen, die zich leraren van de waarheid noemen, dikwijls niet vrij. Hier ligt een voortdurend gevaar op de loer, waartegen wij gewapend en op onze hoede moeten zijn.

 Als wij de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen lezen, vinden wij direct aan het begin een zeer belangrijke aanwijzing betreffende hen, die God niet als God verheerlijken, maar van wie de overleggingen op niets zijn uitgelopen en van wie het onverstandige hart verduisterd is. Wij worden eraan herinnerd, dat het ons gemakkelijk ook zo zou kunnen vergaan en wij worden ervoor gewaarschuwd de waarheid niet door de leugen te vervangen. Rom. 1:21,25 Maar hoe weinig mensen schenken aandacht aan deze waarschuwing!
Wie tot een kerk of een religieuze gemeenschap wil toetreden, die wordt maar zelden gevraagd of hij God gelooft. Er wordt alleen van hem verwacht, dat hij de theologische dogma’s van deze organisatie erkent en zich onderwerpt aan de voorgeschreven riten. Zelfs als iemand zich aansluit bij een onafhankelijke groep van schriftonderzoekers, kan hij zeer snel in ongenade vallen als hij niet zonder vragen met alle conclusies van de leider van deze groep instemt.
Wat staat er echter in 1 Korinthiërs 3:20?

De Heer weet dat de overleggingen der wijzen vruchteloos zijn Eig.Vert.
(1Kor 3:20 – Eig.Vert.)

 

Vanzelfsprekend wijzen wij de overleggingen van aperte dwazen af, daaraan hoeven wij verder geen woorden vuil te maken. Hier is echter geen sprake van dwazen, maar van normale mensen, die bedachtzaam en intelligent zijn – de overleggingen van de wijzen. Zelfs de wijzen van de wereld echter zijn van deze onvermijdelijkheid op de hoogte en wantrouwen daarom hun eigen conclusies en stellingen. Was het niet de belangrijke Griekse dichter Ovidius, die van 43 vóór tot 18 na Christus leefde, die de stelling poneerde: Gelooft de feiten! Wij zouden van hem kunnen leren.

Het fundamentele feit is, dat God Gód is.
Paulus zegt, dat wie Hem niet als God erkent, vruchteloos is in zijn overleggingen, Rom. 1:21 d.w.z. zijn hele denken loopt in verkeerde banen en is tot niets nut, omdat het uitgaat van verkeerde vooronderstellingen.
Als wij niet vast overtuigd zijn van de absolute goddelijkheid van God en dat Hij boven alles staat en over alles heerst naar de raad van Zijn wil en naar Zijn welbehagen, dan zal ons denken altijd door twijfel overschaduwd worden; onze overleggingen, beweegredenen en argumenten met het oog op God zullen steeds onderhevig zijn aan ernstige vergissingen en deze vergissingen en twijfels zullen aan de wortels van ons vertrouwen knagen, zodat wij nooit volkomen zeker kunnen zijn.

Wij moeten in ons denken voor God de plaats inruimen die Hij in het universum inneemt. Alle materie en alle krachten gaan terug op Hem en Hij heeft daar onbeperkte macht over. Aan Zijn wil wordt niet getornd, Zijn handelen is onbetwist, alles is volkomen afhankelijk van Hem. Lees de laatste vijf hoofdstukken van het boek Job maar eens rustig door. Wat daar geschreven staat, spreekt voor ons vandaag net zo krachtig als lang geleden voor hem. Het zal ons vertrouwen versterken, als wij net als Job kunnen zeggen:

Ik weet, dat Gij alles vermoogt en dat geen Uwer plannen wordt verijdeld. Eig.Vert.
(Job 42:2 – NBG)

Als deze waarheid voor de stoffelijke schepping geldt – en dat doet zij zonder twijfel en zonder beperking – hoeveel te meer wint ze aan waarde, als wij haar tot het geestelijke niveau verheffen. Ook daar regeert God en is Hij soeverein. Zijn wil is doorslaggevend en onaantastbaar, Zijn liefde alles omvattend, Zijn woord waarachtig en onherroepelijk.
God regeert niet alleen het heelal naar de raad van Zijn wil in die zin, dat Hij alles controleert, de loop van de hemellichamen en de omwenteling van de aarde en alles, maar Hij is ook volledig Heer van iedere situatie waarin de mensheid zich kan bevinden.

Vrees en onrust hebben de natiën aangegrepen. De gevestigde kerk is tot een groot gebouw geworden, waarin sommige instrumenten tot eer en andere tot oneer zijn. 2Tim. 2:20 De meerderheid van de mensen, in de ijdelheid van hun denken, geeft ongetwijfeld God niet de eer. Zij behoren de lasteraar toe. Het kan niet over het hoofd gezien worden, dat het goede steeds weer door het kwaad overmeesterd wordt.
Maar, en daaraan moeten wij altijd denken, God hoeft Zijn toevlucht niet tot noodoplossingen te nemen om tegen deze bedreiging in te gaan. Hij wordt niet door de ontwikkelingen en gebeurtenissen verrast. Alles dient Zijn plan en is onderworpen aan de raad van Zijn wil. Alles is Hem ondergeschikt. Hij is God!

Er zijn vele en zeer tegengestelde meningen over de zogenaamde vrije wil van de mens. Bij alle overwegingen daarover wordt meestal volledig over het hoofd gezien, dat Gods wil de enige in het universum is, die werkelijk vrij is. Hij kan doen wat Hij wil. De mens kan dat niet. God is de Enige, Die onbeperkt kan uitvoeren wat Hij gezegd heeft, dat Hij het doen wil – en Hij doet het.

Ons vertrouwen kan verdiept worden als wij een terugblik werpen op de geschiedenis. Want sinds het begin van de schepping is alles zo gevormd en geleid, dat het tot de uitvoering van het plan van God moet dienen. Niets is ooit in tegenspraak met Zijn geheime plan verlopen, ook als Zijn bekendgemaakte wil altijd weer tegenstand ontmoette; en alles gebeurde en gebeurt volgens een tevoren bepaald plan. Het aardse leven en de dood van onze Heer zijn er een in het oog springend voorbeeld van, hoe God de weerspannigheid van de mens zo leidt en gebruikt, dat Hem daaruit lofprijzing en verheerlijking ten deel valt.

Paulus, de man die God geloofde, heeft ons erover onderwezen, dat God alles ten goede doet samenwerken voor hen die Hem liefhebben. Rom. 8:28

Als wij Hem liefhebben, zullen wij Hem als God erkennen en Zijn geopenbaarde wil niet weg willen argumenteren of ons door leerstukken laten misleiden, die bij verificatie door de uitspraken van de Schrift geen stand houden. Wij worden niet opgeroepen een of andere leraar te geloven; want ook de besten onder hen zijn maar mensen zoals wij en neigen ertoe op hun eigen conclusies verliefd te zijn, hoe oprecht ze ook mogen zijn. Ieder van ons moet het woord van God zelf kennen.
Natuurlijk mogen wij alle hulp inroepen, die ons voor een juist onderzoek in de Schrift geboden wordt (vgl. Hand. 17:11). Wij moeten echter in geen geval volgelingen, aanhangers dus, van zo’n leraar, verkondiger of uitlegger worden, anders gebeurt het maar al te gemakkelijk, dat wij sektariërs worden, d.w.z. buitenstaanders en ‘separatisten’, die het grote geheel uit het oog verliezen. Dan kunnen wij ‘enkelsporig’ en bekrompen worden en alle anderen voor dwalend houden en ons daarnaar gedragen, in plaats van de eenheid van de geest te bewaren in de band van de vrede, totdat wij allen tot eenheid van het geloof en van de bewustwording1 van de zoon van God komen. Ef. 4:3,13

1. bewustwording – Grieks: epignōsisεπιγνωσις = op-kennis.

Wij moeten God geloven, Hem aanhangen, Hem nabootsen.

Persoonlijk geloof is, zoals veel eenvoudige dingen, een zeer diepgaande zaak. Abraham geloofde God en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend. Alleen door het persoonlijke geloof verkrijgen wij de gerechtigheid van God door het geloof van Jezus Christus. Rom. 3:21,22 Als wij in ons hart geloven, dat God de Heer Jezus uit de doden opwekte, dan moeten wij logischerwijze God ook in al het andere geloven, zonder beperking. Een ‘beetje geloof’ is helemaal niets. Ons staat echter de volle rijkdom ter beschikking.

Iedere gelovige zou met Paulus mogen zeggen:

(…) ik weet Wie ik geloofd heb en ik ben ervan overtuigd, dat Hij bij machte is (…) NCV
(2Tim 1:12 – NCV)

Als wij dat werkelijk kunnen, dan blijven wij vast geworteld en gegrond, onwrikbaar en volhardend. Wij worden standvastig in het werk van de Heer, waarachtig, vol vertrouwen, gelukkig in de verwachting en in alles volkomen zeker.

Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? Eig.Vert.
(Rom 8:35 – NBG)

Hier is het antwoord:

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons liefheeft. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer. Eig.Vert.
(Rom 8:38,39 – NBG)
Blay, C.J. (1982)
Es ist geschrieben.
Unausforschlicher Reichtum, 1982/2.
(Vertaling: ajjj)

Verwante onderwerpen:

geloof
Deel met anderen