Gehoorzamen? Onderschikken?

Taal en woordkeus

In 1990 verscheen van Driek van Wissen een ‘Kleine grammatica van de knelpunten in onze taal’ onder de pakkende titel ‘Taal is het voertuig van de geest’. 

Je zou dat ook van de heilige geest van God kunnen zeggen. Al in Genesis 1 en in alle volgende delen van de Hebreeuwse en Griekse Schrift lezen wij immers dat God sprak. Zijn woorden en daarmee Zijn taal waren het voertuig waarmee alles tot stand is gekomen en nog zal komen.

Het is dus van het hoogste belang om Zijn taal te kennen en te begrijpen. Zij is als zodanig ook het voertuig van onze geest en stuurt ons denken, handel en wandel.

Wanneer wij Gods taal verhaspelen, raakt het voertuig van onze geest hopeloos uit de koers en raken wij als het ware van God los. Een voorbeeld? Men hoort vaak beweren dat wij de overheid moeten gehoorzamen. Maar Paulus heeft het in Romeinen 13:1 over onderschikken aan de overheid. Dat houdt wel wat anders in. 

Daarop zal elders in UR nader worden ingegaan.1

Het gevaar van woordstudies is dat men zich concentreert op de herkomst en betekenis van een Hebreeuws of Grieks woord en minder let op de bagage die het in de context heeft gekregen. Die context kan de zin zijn, waarin het woord is gebruikt, maar ook het gehele Schriftgedeelte en zelfs de structuur van, bijvoorbeeld, een brief van Paulus. 

De concordante vertaalmethode heeft bij haar woordkeus daarop terdege gelet en dat met het vermelden van vindplaatsen verantwoord. Volgens die methode nemen wij hierna de woorden ‘gehoorzamen’ en ‘onderschikken’ onder de loep, samen met hun context.

1) Zie ‘De overheid en onze houding’ elders in deze UR.

Gehoorzamen

Dit woord is gekozen als de vertaling van het Griekse hupakouōυπακουω (Strongnummer 5219). Het is samengesteld uit de elementen ‘onder’ en ‘horen’. Dat horen kan een fysiek horen zijn, maar heeft meestal betrekking op geestelijk horen. 

Wij onderzoeken hierna de bagage van υπακουω, ‘gehoorzamen’ en van het zelfstandig naamwoord hupakoēυπακοη, ‘gehoorzaamheid’ (Strongnummer 5218) met de brieven van Paulus als hoofdschotel.

NBG-vertaling van 1951

In deze Bijbelvertaling zijn voor υπακουω de volgende woorden gebruikt: luisteren, horen naar, gehoorzamen, gehoorzaam zijn en – schrik niet – zich onderwerpen. 

Voor hupakoēυπακοη zijn de volgende woorden gebruikt: gehoorzaamheid, onderwerping, gehoor geven.

U ziet hoe hiermee de vertaling van deze Griekse woorden uit Gods Woord verhaspeld is door ze met zowel gehoorzamenals onderwerpen (d.i. iets of iemand onder zijn gezag brengen) weer te geven. Hoe zou een gebruiker van zo’n vertaling ooit kunnen weten wat God werkelijk gezegd heeft?

Als onze Heer spreekt

Onze Heer Jezus Christus is het vleesgeworden Woord dat onder ons Zijn tent heeft opgeslagen en een heerlijkheid liet zien als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. Joh.1:14 Daarvan heeft Hij bij velerlei gelegenheden blijk gegeven. 

Zo verbaasde Hij de mensen toen hij de woeste winden en de zee berispte en zij tot grote kalmte kwamen: ‘Wat voor Iemand is Deze dat ook de winden en de zee Hem gehoorzamen?’ Matth.8:23-27 Onze Heer sprak en de elementen konden niet anders dan Hem gehoorzamen.

Abraham geloofde God!

In de Schrift lezen wij ook van gehoorzamen aan het geloof. Hand.6:7 Een groot voorbeeld daarvan was Abraham, die aan geloof gehoorzaamde door uit zijn vertrouwde omgeving te vertrekken naar het land van de belofte. Daar wachtte hij op de stad die fundamenten heeft, waarvan God Ambachtsman en Bouwmeester is. Hebr.11:8-10

Hebreeën 11 geeft aan, dat geloof niet zomaar een kwestie is van iets aannemen. Maar het houdt in: hebben van een vast vertrouwen in de waarheid en de betrouwbaarheid van Gods Woord. Het is veelzeggend, dat het betreffende Griekse woord (pistisπιστις) in de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schrift, de Septuaginta, vaak als vertaalwoord is gebruikt voor een Hebreeuws woord met de stam אמן (amen), dat ‘waar’ en ‘betrouwbaar’ betekent. Wij belijden dat als wij ‘amen’ op iets zeggen.

Gods niet vrijblijvende woorden 

De profeet Jesaja gaf als de ‘mond van God’ precies aan, dat Gods woorden nooit zonder gevolg zijn: ‘Zo zal Mijn Woord dat uit Mijn mond uitgaat niet leeg naar Mij terugkeren, want het doet zeker wat Ik wil en heeft goed gevolg waarheen Ik het zend!’ Jes.55:11

Kortom, wanneer God Zelf of Zijn Zoon een uitspraak doet, moéten mensen en zelfs de elementen die die woorden horen daar wel gehoor en gevolg aan geven!

Paulus over gehoorzamen

Wanneer we de Griekse woorden voor gehoorzamen en gehoorzaamheid, resp. υπακουω en hupakoēυπακοη, op hun vindplaatsen opzoeken, valt op dat de apostel Paulus die het meest gebruikt. Zou een belangrijke reden niet kunnen zijn, dat het juist bij hen die uit de natiën geroepen zijn en Christus niet of niet meer naar het vlees kennen, 2Cor.5:16 op gehoorzamen aan Gods Woord aankomt?

Het evangelie gehoorzamen

Waar het Israël aangaat, zegt Paulus: ‘Maar niet allen gehoorzamen aan het evangelie, want Jesaja zegt: Heer, wie gelooft het van ons gehoorde?’ Rom.10:16

Waar het de uitgeroepen gemeente betreft, schrijft Paulus aan de Thessalonicenzen, dat hij God dankt voor het geloof waaraan zij zich tegen alle verdrukkingen vasthouden.

Daarentegen heeft hij geen blijde boodschap voor hen die God niet kennen en voor hen die het evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 2Thess. 1:3-8 Dat illustreert het belang dat de apostel hecht aan gehoorzamen, dat is: het zonder enig voorbehoud gehoor geven aan wat God door Zijn Zoon, onze Heer en Redder, tot ons zegt.

Gehoorzamen vanuit het hart

Aan dat laatstgenoemde aspect van gehoorzaamheid wil het bij mensen nog wel eens mankeren. Niet voor niets schrijft Paulus in Romeinen 6:12-23 dat wij de zonde, het doelmissen, niet koning in ons stervende lichaam moeten laten zijn en zo gehoorzamen aan de begeerten van dat lichaam. 

Wij zijn geen slaven van de zonde, maar gehoorzamen, vanuit het hart, aan het onderricht dat Paulus geeft. Zo zijn wij ons bewust geworden van de genade die wij ontvangen hebben om geen slaven van de zonde te zijn, maar slaven voor de rechtvaardigheid

Ons wacht nu niet het rantsoen van de zonde, namelijk de dood, maar wij hebben de genade ontvangen van eonisch leven, in Christus Jezus, onze Heer! Dat is reden te over om onze knieën voor Hem in diepe dankbaarheid te buigen. 

In wezen laat Romeinen 6 zien dat υπακουω meer betrekking heeft op houding dan op gedrag. Die houding is een hartenzaak

Gehoorzamen in relationele sfeer

Wat houdt het gehoorzamen aan Paulus’ onderricht nog meer in? Welnu, kinderen aan hun ouders, slaven aan hun heren,Ef.6 en Kol.3 wij allen aan het evangelie van onze Heer Jezus Christus. 2Thess.1:8

Merk op dat Paulus nergens expliciet zegt dat de overheid aan God moet gehoorzamen of wij aan de overheid.

Samenvattend

Gehoorzamen is een luisterhouding die nauw samenhangt met een geloofshouding. Wie God op Zijn Woord gelooft, zal Hem gehoorzamen. Wie het onderricht van vooral Zijn apostel Paulus niet ter harte neemt, laat zich in slaafse gehoorzaamheid leiden naar wat zijn stervende lichaam hem ingeeft.

Gehoorzaamheid opent het panorama van het in genade gered zijn.

Onderschikken

Het woord ‘onderschikken’ is gekozen als de vertaling van het Griekse hupotassōυποτασσω (Strongnummer 5293). Het is samengesteld uit de elementen ‘onder’ en ‘zetten’. Het woord geeft een lager niveau ten opzichte van een hoger niveau aan, een rangorde. 

Wij onderzoeken hierna de bagage van υποτασσω, ‘onderschikken’ en van het zelfstandig naamwoord hupotagēυποταγη, ‘onderschikking’ (Strongnummer 5292), ook nu met de brieven van Paulus als hoofdschotel.

NBG-vertaling van 1951

In de NBG-vertaling van 1951 zijn voor υποτασσω voornamelijk de volgende woorden gebruikt: stellen onder, ondergeschikt maken, (zich) onderwerpen, gehoor schenken en – schrik ook nu niet – gehoorzamen. 

Voor hupotagēυποταγη, zijn voornamelijk de volgende woorden gebruikt: onderwerping, gehoorzaamheid.

Ook hier weer verhaspeling door bij het vertalen zowel gehoorzamen als onderwerpen te gebruiken. Iemand die Gods Woord onderzoekt aan de hand van deze vertaling zal nooit achter de waarheid komen!

Onderschikking van alles

Net als bij ‘gehoorzamen’ (hupakouōυπακουω) maakt het bij ‘onderschikken’ (hupotassōυποτασσω) heel wat uit of God Zelf of Zijn Zoon dat realiseert, of dat wij dat in Zijn opdracht doen. Ook nu is het de apostel Paulus die het meest over onderschikken schrijft.

Wanneer Paulus het woord in 1Corinthiers 15:25-27 gebruikt, is er sprake van een onontkoombaar onderschikken, juist omdat het Christus Zelf is Die dit uitwerkt met de macht Die Hij van de Vader gekregen heeft. Ef.1:19-22

Het doel van die onderschikking is, dat Hij alles aan Zich zal onderschikken om dan Zichzelf aan God te onderschikken, opdat God alles in allen zal zijn.

Onze Heer gaf trouwens Zelf reeds als twaalfjarige het goede voorbeeld door Zich aan Zijn ouders te onderschikken.Luc.2:51

Ook in Efeziers 1:22 wijst Paulus erop, dat God alles onder de voeten van Zijn Zoon onderschikt en Hem als Hoofd boven alles aan de uitgeroepen gemeente die Zijn lichaam is, heeft gegeven. Ook hier is sprake van onontkoombaar onderschikken waar niets en niemand Hem ook maar een strobreed in de weg kan leggen.

In Hebreeen 2:5-8 lijkt het op het eerste gezicht over hetzelfde perspectief te gaan als in 1Corinthiers 15. In Hebreeën wordt echter Psalm 8:5-7 aangehaald, wat dit Schriftgedeelte, samen met de context van de Hebreeënbrief, betrekking doet hebben op de volkomen onderschikking van alles wat op de aarde is.

Onderschikking van demonen

Volgens Lucas 10:17-18 had onze Heer nog eens tweeënzeventig volgelingen aangewezen – zes maal het aantal van de twaalf apostelen – om mensen te oogsten. Hij had aan hen ook de macht gegeven om demonen te onderschikken. De tweeënzeventigen waren enthousiast, want zij hadden ervaren hoe dwingend Zijn macht om te onderschikken was. 

Dat zat Satan als demonenbaas helemaal niet lekker en onze Heer heeft hem dan ook als de bliksem uit de hemel zien neerschieten. Alsof hij de Heer zou kunnen dwarsbomen!

Vlees onderschikt zich niet

In het schitterende hoofdstuk 8 van de Romeinenbrief onthult Paulus twee voorname zaken.

In vers 7 zegt hij wat de gezindheid van het vlees is, namelijk vijandschap naar God toe, want het onderschikt zich niet aan Gods wet.

In vers 20 wijst hij op iets dat wij dank zij de media en de geschiedenis steeds duidelijker zien: dat de schepping aan ijdelheid (vergeefsheid; NBG-1951: vruchteloosheid) onderschikt is. Dat is zo sinds het drama dat Adam het paradijs kostte en waardoor hij sterveling werd. 

Het zal ook de laatste Adam zijn die de schepping van zijn verval en mislukkingen zal bevrijden en herstellen. Dan zullen alle schepselen één van de vele kanten van Gods onvergelijkbare liefde zien en Hem daarvoor innig danken en prijzen. Dat laat zien hoe God onderschikking aanwendt om Zijn einddoel te bereiken.

In Romeinen 10:3 legt Paulus de vinger op een zere plek: de mensheid gaat volkomen voorbij aan Gods rechtvaardigheid en probeert haar eigen rechtvaardigheid te verwezenlijken. 

Ook dat is vergeefse moeite en het zoveelste bewijs van het zich niet willen onderschikken aan God. De verschrikkelijke resultaten worden met de dag duidelijker. De media staan er bol van, terwijl niemand op de gedachte komt eens bij God te rade te gaan.

Wat Paulus in Romeinen 13:1-7 – en ook in Titus 3:1 – geschreven heeft, ligt bij velen zwaar op de maag. Ons aan een overheid onderschikken die God en Zijn Woord op brutale, zo niet brute wijze schoffeert? Mogen wij ons dan niet tegen zo’n overheid verzetten, zoals destijds tegen de nazi’s? Maar zou dit verzet ook niet de vrucht zijn van het vlees? 

Op dit Schriftgedeelte wordt in een afzonderlijk artikel nader ingegaan.1

1) Zie ‘De overheid en onze houding’ elders in deze UR.

Herstel door onderschikking

In Filippenzen 3:21 laat Paulus zien dat wij de eersten zullen zijn bij wie herstel verwezenlijkt zal worden. Dat is wanneer Hij het lichaam van onze verlaging (vernedering) zal omzetten in een lichaam dat gelijkvormig is aan Zijn heerlijkheidslichaam. Daartoe is Hij bij machte, zoals Hij dat ook is om het al aan Zich te onderschikken. 

Zet dat de verwachting die wij hebben op grond van 1Thessalonicenzen 4:16-17 niet in een onvoorstelbaar breed en weids perspectief?

Onderschikking in relatie

In Efeziers 5:21, 22 en 24, in Colossenzen 3:18, 1Timotheus 2:11 en 3:4, en Titus 2:5 en 9 geeft de apostel aan in welke relaties het onderschikken van belang is. Over al die gevallen schijnt de warme gloed van Gods liefde en niet de vrieskou van menselijke heerszucht. Dan gaat het om gedrag dat aan onderschikking vorm geeft.

Man-vrouw relatie

Efeziers 5:22-24 – het onderschikken van vrouwen aan hun eigen man als aan de Heer. De man is het hoofd van de vrouw, zoals Christus het Hoofd is van de uitgeroepen gemeente en de Redder van het lichaam is. Dus de mannen spelen geen baasje over hun vrouw, maar hebben haar lief en koesteren haar, zoals ook de Heer dat bij Zijn lichaam doet! 

In dat licht verwacht Paulus van de vrouw dat zij zich aan haar man onderschikt zoals de gemeente aan Christus, in alles. Dezelfde boodschap aan de vrouw heeft Paulus in Colossenzen 3:18, 1Timotheus 2:11, en Titus 2:5

Waarom zoveel aandacht voor onderschikking door de vrouwen? Welnu, juist omdat zij in dezelfde verhouding tot haar eigen man staat als de gemeente tot haar Hoofd, Christus! Als zodanig vormen de vrouwen een uiterst belangrijk symbool. Dat symbool kan echter niet schitteren als de man als despoot op liefdeloze wijze met haar omgaat. Paulus voegt in Efeziers 5:25 er immers niet voor niets aan toe: ‘Mannen, hebt je vrouw lief, zoals ook Christus de uitgeroepen gemeente liefheeft en Zichzelf ter wille van haar heeft overgegeven!’

Merk op dat Paulus nergens schrijft dat kinderen aan hun ouders onderschikt moeten zijn, wel, zoals wij in Efeziers 6:1 en Kolossenzen 3:20 al lazen, dat zij geacht worden hun ouders te gehoorzamen. 

Een goede reden is in de context te vinden; het door Paulus opgetekende vader-moederplaatje is voor hen (voor)beeld van de relatie van Christus-gemeente.

Opzienerschap

In 1Timotheus 3:4 noemt Paulus enige ‘functie-eisen’ voor het opzienerschap: onaanvechtbaar (integer), man van één vrouw, nuchter, verstandig, ordentelijk, gastvrij, tot onderwijzen bekwaam, geen wijnzuiper (drinkeboer), geen ruziezoeker, inschikkelijk, niet vechtlustig, niet geldzuchtig en vooral het eigen huis uitstekend onder controle hebben met kinderen die er in onderschikking wonen, met alle eerbaarheid. 

Het zal in deze tijd een hele toer zijn om met succes door een sollicitatie naar opzienerschap te komen.

Arbeidsrelatie

In de brief aan Titus schrijft Paulus dat hij van slaven verwacht, dat zij zich onderschikken aan hun eigen eigenaren, hun in alles welgevallig zijn, zonder tegenspraak, niets ontvreemdend, maar alle goede trouw betonend. 

Paulus vult dit echter aan met de bedoeling van deze wijze van onderschikking: dat zij zo in alles een plaatje zijn van de onderwijzing van onze Redder, God! Want de genade van God is verschenen, redding brengend aan alle mensen! 

Ook al kennen wij niet meer de verhouding slaaf-eigenaar zoals in de Oudheid, toch is de opdracht die Paulus hier geeft zonder meer van toepassing van de tegenwoordige verhouding werkgever-werknemer (‘loonslaaf’).

Samenvattend

Onderschikken heeft betrekking op een rangorde, waarbij het niet gaat om de strepen op iemands mouw, maar om het doel ervan: de realisatie van de onderschikking van alles aan de Christus, Die vervolgens Zichzelf aan God zal onderschikken, opdat God zij alles in allen!

Onderschikken is geen kille, militaristische kwestie, maar staat in al zijn facetten in het teken van Gods voornemen van de eonen dat Hij uitvoert in Christus Jezus, onze Heer. Wie God op Zijn Woord gelooft en vertrouwt en Hem van harte liefheeft, is tot waarachtige onderschikking in staat!

Alfred Dekker.

Verwante onderwerpen:
gehoorzaamheid
onderschikking
Deel met anderen