Het voorbestaan van Christus

In discussie over het Grieks van Filippenzen 2

Recentelijk sprak onze broeder André Piet in een van zijn spreekbeurten over Filippenzen 2. Dit is een tekst die normaliter wordt gezien als één van de duidelijkste teksten die spreekt over het voorbestaan van Christus, met een duur woord: de pre-existentie van Christus. Niet alleen gelovigen, mat name zij die in de drie-eenheid geloven lezen de tekst zo, ook een ongelovige Nieuw Testamenticus als Bart Ehrman, die geen reden heeft de “traditionele leer” te verdedigen, wijst de tekst aan als een die zo over Christus spreekt. De tekst spreekt dan over hoe Christus eens in de gestalte Gods was, en Zich van daaruit leeg gemaakt heeft tot mens. André ontkent niet persé dat de tekst zo gelezen kan worden, maar heeft vele vragen en moeilijkheden bij het idee van Zijn voorbestaan, en ziet een andere mogelijke uitleg van Filippenzen 2, die hij in het licht van die vragen en in zijn ogen een gebrek aan bewijs elders de voorkeur geeft boven de gebruikelijke uitleg.

In die spreekbeurt legde hij die andere mogelijke uitleg uit. Volgens hem sloeg het “in de gestalte Gods zijnd het geen roof acht(te)” niet op de tijd voor Hij mens werd, maar op zijn latere verhoging. Toen kwam Hij in de gestalte van God, en achtte Hij het geen roof. Na een eerste mailwisseling zette hij zijn analyse van de Griekse werkwoorden nog iets scherper in een blog. Nu de uitleg zo duidelijk leunde op Griekse werkwoorden en Griekse grammatica, kwam de discussie waar ik (Thijs) me eerder afzijdig van heb gehouden het terrein op dat ik mijn specialiteit acht. En omdat ik meende dat hij nog één belangrijk gegeven over het hoofd zag, wat in mijn ogen zijn uitleg onmogelijk maakt, hebben we er een interessante discussie over de mail over gehouden, waar ik graag wat van met jullie deel, omdat discussies opbouwend kunnen zijn als je elkaars mening ermee aanscherpt en er een tekst beter door begrijpt. André en ik houden er dan ook wel van af en toe te sparren over email en elkaar scherp te houden, en zo Zijn Woord beter te begrijpen.

Het tekstgedeelte

Een van de schoonheden van het Grieks is dat het met een uitgebreid werkwoordsysteem heel precies informatie kan aangeven. Maar dat maakt het ook wel ingewikkeld, zeker voor hen die geen Grieks kennen, om te zien wat er precies bedoeld wordt. Laten we het tekstgedeelte maar eens bekijken.

5 Laat immers deze gezindheid in jullie zijn, die ook in Christus Jezus is, 6 die, in de vorm van God zijnd, het aan God gelijk zijn geen roof achtte; 7 niettemin maakte Hij zichzelf leeg, de vorm van een slaaf aangenomen hebbend en in de gelijkenis van de mens geworden. En in gedaante als mens bevonden, 8 verootmoedigde Hij zichzelf, gehoorzaam geworden tot aan de dood, ja, de dood van het kruis. 9 Daarom ook heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem in genade de naam geschonken die is boven alle naam,

(Fil 2 – NCV, aangepast)

Er zijn hier drie werkwoordsvormen die een rol spelen, die ik elk met een eigen kleur heb aangegeven. De belangrijkste is de welbekende aorist, die ik met rood heb aangegeven. De aorist geeft in verhalende teksten altijd de hoofdpunten van een verhaal weer. Zo ook hier. Kijk maar naar de rode woorden, dat zijn de hoofdgebeurtenissen in dit verhaal. Dan hebben we hier ook nog het participium of deelwoord van de aorist, met oranje aangegeven. Deze vorm geeft het feit dat de achtergrond vormt voor het werkwoord in de hoofdzin. Ook dat zie je mooi in dit stukje tekst. Als achtergrond bij “Hij maakte zichzelf leeg” lezen we wat dat inhield: “de vorm van een slaaf aangenomen hebbend en in de gelijkenis van de mens geworden”. En daar bleef het niet bij. Dit, het “in gedaante als mens bevonden”, is weer de achtergrond bij het vervolg. Dat gedaan hebbend, verootmoedigde Hij zichzelf zelfs tot de dood. En als laatste vinden we hier nog het participium of deelwoord van het praesens, in het blauw weergegeven. Dat deelwoord geeft de achtergrond, die tegelijkertijd met het hoofdwerkwoord plaatsvindt. Dus terwijl Hij in de gestalte Gods was, achtte Hij het geen roof aan God gelijk te zijn. Ik verwonder me er wel eens over hoe het Grieks met werkwoorden het zo scherp kan neerzetten, hoofd- van achtergrondzaken onderscheidend en precies aangevend wat achtergrond van wat is, wat voortijdig en wat gelijktijdig is.

Voortgang

Om mijn bezwaar tegen de uitleg van André te begrijpen, moet ik nog één eigenschap uitleggen die hoort bij de aorist: voortgang. Kort gezegd: als je meerdere aoristen achter elkaar plaatst, dan geven ze voortgang aan, een chronologisch geordend verhaal waarbij elke volgende handeling volgt op de vorige. Als dat ook voor Filippenzen 2 klopt, dan is het “in de vorm van God zijnd het aan God gelijk zijn geen roof achtte” iets dat voorafgaat aan “maakte Hij zichzelf leeg”, wat betekent dat Hij dus al voor zijn leegmaking en menswording aan God gelijk was, en niet pas na Zijn opstanding en verhoging. Daarmee zou de theorie van André niet kloppen.

Voor wie geïnteresseerd is zal ik het hieronder iets meer onderbouwen. Houd je niet van grammatica, dan kan je het houden bij de korte weergave hierboven en de rest van dit en volgend kopje overslaan.

Om te begrijpen hoe aoristen voortgang kunnen aangeven, moeten we iets scherper stellen wat de betekenis van de aorist is. Er wordt wel eens gezegd: de aorist geeft een handeling weer in het verleden, heden én toekomst, maar dat klopt niet (altijd). Het is nauwkeuriger te zeggen dat de aorist in zichzelf helemaal geen informatie van tijd geeft. Er wordt wel eens gezegd dat de aorist een handeling vooral als feit weergeeft, wat al dichter bij de waarheid zit, maar nog steeds niet altijd klopt. De accurate beschrijving van wat de vorm betekent is perfectief aspect. Kort gezegd geeft het de handeling als geheel weer, waar de praesens vorm juist inzoomt op het verloop van een handeling. Je zou kunnen zeggen, als er in een stad een optocht is, een parade, dan zou de aorist zijn als het bekijken van de optocht vanuit de helikopter. Je kijkt dan niet naar de beweging van de optocht, maar ziet de optocht in zijn geheel, van begin tot eind. Het praesens zou meer zijn als de verslaggever langs de kant, die ziet hoe atleten sneller of langzamer rennen, en vooral de voortgang van de parade ziet, maar niet het begin of einde. Als we een handeling beschouwen als iets dat een begin, een voortgang en een eind heeft, als een dikke lijn, dan zou je het verschil kunnen weergeven als volgt:

Dat een aorist zelf geen tijd aangeeft, wil niet zeggen dat de context niet kan aangeven in welke tijd een handeling heeft plaatsgevonden. En veruit het vaakst wordt de aorist gebruikt voor handelingen die gewoon in het verleden liggen, in wel 80% van de voorkomens. Maar het komt doordat de aorist een handeling als geheel, vaak dus als feit, weergeeft. En meestal is iets een feit omdat het in het verleden gebeurd is, en daardoor vastligt. Indirect is de meest logische tijd bij de aorist dus wel degelijk de verleden tijd, terwijl het toch niet tot de basisbetekenis van de vorm zelf behoort. Preciezer gezegd: omdat een handeling als geheel in beeld is bij de aorist, is meestal ook het “eindpunt” van de handeling in beeld, zodat een handeling al is afgerond, en daarmee in het verleden ligt.

Deze eigenschappen van de aoristus leiden automatisch tot een ander essentieel verschil in betekenis t.o.v. het praesens: voortgang. Als je twee aoristen achter elkaar plaatst, bijvoorbeeld als hoofdwerkwoord in twee opeenvolgende hoofdzinnen, dan zullen de handelingen automatisch voortgang in het verhaal betekenen. Van de eerste handeling is het eindpunt in zicht door de aorist, voordat in een volgende hoofdzin een nieuwe handeling wordt begonnen. De handelingen worden dus chronologisch geordend, ze zijn opeenvolgend. Daarom is de aoristus de vorm bij uitstek in het Grieks om een verhaal te vertellen. Het is uitermate geschikt de chronologische gebeurtenissen op een rij te zetten. Dat is ook veruit het meest voorkomende gebruik van de aorist: een serie aoristen die opeenvolgende handelingen weergeven. 

De regel in het Grieks van het NT

Dit kunnen we als regel formuleren:

Als er in opeenvolgende zinnen aoristen als hoofdwerkwoord van de hoofdzinnen gebruikt worden, vormen die aoristen een chronologische serie van opeenvolgende handelingen. Maar, deze opeenvolging kan onderbroken worden door bepaalde voegwoorden, voorzetsels, door parallellie, herhaling of versteende uitdrukkingen.

Om een voorbeeld van voegwoorden, parallellie e.d. te geven, is Rom 1:21-23 interessant:

… 21 omdat zij, God kennend, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt hebben, maar zij zijn ijdel geworden in hun doorredeneringen en hun onverstandig hart is duister gemaakt. 22 Voorgevend wijs te zijn, zijn zij dwaas gemaakt, 23 en zij veranderen de heerlijkheid van de onverderfelijke God in de gelijkenis van een beeld van een bederfelijk mens, vliegende schepsels, viervoeters en reptielen.

Hier vinden we een serie aoristen, en ze geven duidelijk feiten aan, maar chronologie lijkt hier niet in te zitten. Dit is grotendeels te verklaren door voegwoorden en parallellie. Het “of” tussen de twee aoristen maakt dat ze niet na elkaar maar naast elkaar staan als opties, en evenzo voorkomt “niet …, maar …” chronologische opeenvolging. In de rest van de aoristen wordt de nuance van voortgang voorkomen door het gebruik van parallellie, het op meerdere manieren uitdrukken van dezelfde gedachte.

Als dit echt een harde regel is, dan is het interessant voor Filippenzen 2, omdat het iets over de chronologie van de feiten, die daar staan, kan zeggen. Maar omdat ik weet dat André niet makkelijk te overtuigen is (wat ik met een knipoog zeg), en het gewoon goed is zeker te zijn, heb ik deze regel in het halve NT gecontroleerd. In alle brieven en in Mattheüs. En wat blijkt? Alle series die daarin te vinden zijn, zijn of direct chronologisch, of zijn eenvoudig op soortgelijke wijze als in Romeinen 1 door de voegwoorden en parallellie te verklaren.

De discussie

Ik heb dus geen uitzondering gevonden op de regel, niet één. Al helemaal niet een waarbij het eerste werkwoord van een serie op een handeling wijst die pas plaatsvindt ná de rest van de serie. Hoewel André uiteindelijk deze regel aanvaarde, was hij er niet van overtuigd dat dit moest betekenen dat zijn uitleg van Filippenzen 2 niet klopte. Laten we de tekst er nog een keer bijhalen.

5 Laat immers deze gezindheid in jullie zijn, die ook in Christus Jezus is, 6 die, in de vorm van God zijnd, het aan God gelijk zijn geen roof achtte; 7 niettemin maakte Hij zichzelf leeg, de vorm van een slaaf aangenomen hebbend en in de gelijkenis van de mens geworden. En in gedaante als mens bevonden, 8 verootmoedigde Hij zichzelf, gehoorzaam geworden tot aan de dood, ja, de dood van het kruis. 9 Daarom ook heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem in genade de naam geschonken die is boven alle naam,

(Fil 2 – NCV, aangepast)

Het is duidelijk dat vers 7 tot 9 opeenvolgende handelingen beschrijft: Hij maakte zichzelf leeg, verootmoedigde zichzelf tot de dood, daarom werd Hij verhoogd en is Hem de naam boven alle naam geschonken. Maar hoe zit het met vers 6? Ik wees André erop dat vers 6 ook gewoon tot de serie behoort, en door de chronologisch opeenvolgende handelingen Christus dus in de vorm van God was vóór Zijn leegmaking, niet pas erna.

Hierop stelde André de vraag of hier niet net als in Romeinen 1 je een “niet … maar …” structuur hebt, hier in de vertaling “geen roof … niettemin“. Dat zou dan een uitzondering op de regel zijn. Daarop antwoordde ik dat als dit net als in Romeinen 1 ook een “niet … maar …” structuur zou zijn, nog steeds niet gelijk de chronologie wordt losgelaten. Dit is eenvoudig met een Nederlands verhaaltje te illustreren: “Hij liep naar binnen. Hij hing zijn jas niet op maar legde hem neer. Hij ging zitten.” De volgorde is nog steeds “liep binnen” > “legde jas neer” > “ging zitten”. En het ophangen is ook niet los van de chronologie, want het had anders plaatsgevonden waar nu het neerleggen plaatsvindt. Hetzelfde geldt ook voor een serie aoristen in het Grieks, zoals je dat mooi in Gal 1:15-18 kan zien. Daar zit midden in een verhaal ook een “niet … ook niet … maar …” structuur, maar het geheel is nog steeds onderdeel van een chronologisch verhaal.

Maar, de structuur in Filipenzen 2 is anders. Het “niet” staat niet voor het werkwoord, maar voor “roof”. De handeling wordt niet ontkent, maar roof (ik bedoel, het is niet “niet achten“, maar “geen roof achten”). Daarom is er ook geen directe tegenstelling tussen de handelingen, maar is het eerder “handeling 1, en toch/niettemin handeling 2”. “Maar” wordt vaker zo gebruikt, zie bijv. Rom 5:14; 6:5; 1Kor 8:6; 9:2,12; 2Kor 4:16; 5:16; 11:6; 13:4, overal in de NCV als “niettemin” vertaald. En wat doet “niettemin” met de voortgang van de tijd dan? Mij lijkt het “niettemin” aan te geven dat ondanks het feit dat Hij het geen roof achtte, Hij zich toch leeg maakte. Voor een dergelijke logische constructie moet het “geen roof achten” al een feit zijn voor Hij zich leeg maakte. Oftewel, volgens mij blijft het vanaf “geen roof achtte” een enkele chronologische serie aoristen.

De standpunten

André was echter niet overtuigd, en stelde dat het woordje “maar”, hier vertaald als “niettemin”, de inleiding was van Paulus’ uitleg waarom Christus gezindheid anders is, en daarmee los staat van vers 6. De vier feiten die volgen – Hij ontledigde zichzelf, vernederde zichzelf, daarom verhoogde God Hem en schonk hem de naam, opdat alle knie zal buigen en elke tong zal belijden tot eer van God – geven aan waarom het “in de gestalte Gods zijnde” voor Christus Jezus geen beroving is. Hij ziet dus een harde knip in de serie aoristen, door het woordje “maar”.

Hoewel het logisch klinkt, overtuigt mij dat antwoord allerminst. Het gaat er namelijk om of dit ook is wat het Grieks zegt. En dat kan alleen als het “niettemin” inderdaad een harde knip kan geven in het verhaal, anders is hier nog altijd de regel van toepassing waarop ik geen enkele uitzondering in alle brieven en in Mattheüs vond, dat de handelingen chronologisch op elkaar moeten volgen. Ik heb alle keren dat “maar” op eenzelfde manier voorkomt boven al op een rijtje gezet. Ga ik al die plekken na, dan blijkt dat overal het voorafgaande reeds een feit is voordat of tegelijkertijd met wat volgt op “niettemin”. Dit zie je helemaal duidelijk in Rom 5:14, waar “niettemin” midden in een serie aoristen staat, en waar het verhaal gewoon chronologisch door gaat. Op geen van de plekken geeft “niettemin” de harde knip die André hier ziet, en volgens mij hier ook niet. Het “niettemin” zegt dat, ondanks dat Christus, in de vorm van God zijnde, het aan God gelijk zijn geen roof achtte, ondanks dat Hij Zichzelf leeg maakte. De uitleg waarom de gezindheid van Christus anders is begint niet pas in vers 7, het begint al in vers 6. Het spreekt juist nog duidelijker hierover doordat Christus vanuit die hoge positie zich leegmaakte.

Toen ik André vroeg hoe het “niettemin” een tegenstelling kon geven als het “geen roof achten” wat eraan voorafging pas veel later plaatsvond dan het “leeg maken” wat erop volgt, antwoordde hij dat het Christus’ gezindheid NOOIT geweest is om “de gestalte Gods” waarin hij nu is, te roven. Hij heeft deze positie ONTVANGEN op basis van ontlediging en vernedering. Maar wederom, hoe logisch dat klinkt, dat kan volgens het Grieks niet. Want in die uitleg trekt hij het “in de vorm Gods zijnd” los van “het geen roof achten”. Het ene ontving Hij pas veel later, het andere gold altijd al voor Christus. Maar, zoals ik hierboven vertelde, het “in de vorm Gods zijnd” is een participium van het praesens, dat een handeling altijd gelijktijdig aan de hoofdzin weergeeft. Oftewel, het “in de vorm Gods zijnd” moet dus gelijktijdig zijn aan het “geen roof achten”.

Ook heb ik met het lostrekken van vers 6 de moeite een begrijpelijke boodschap uit de tekst te halen. Wat is dan de gezindheid van Christus die wij ook moeten hebben? Het aan God gelijk zijn geen roof achten. De vier feiten die volgen onderbouwen immers allemaal dit ene, dat Hij het geen roof achtte. Maar dat kan moeilijk iets zijn wat wij Hem na kunnen doen. Toont Zijn gezindheid Zich juist niet doordat Hij eerst aan God gelijk was maar dit geen roof achtte, en zelfs ondanks dat Hij Zich helemaal leegmaakte, mens werd, en tot de dood Zich vernederde? Maar iets onlogisch vinden is geen argument, we moeten het doen met wat het Grieks zegt.

Hier hebben we het bij gelaten, zodat dit de twee standpunten zijn:

  • André ontkent niet de mogelijkheid van de standaard lezing, maar presenteert een andere mogelijkheid, waarbij vers 7 tot 9 de uitleg vormen bij vers 6, zodat het “in de gestalde Gods zijnd” niet voorafgaat aan het leegmaken, maar wijst op zijn uiteindelijke verhoging. Omdat hij verder met het idee van het voortbestaan van Christus meerdere problemen heeft, en dit de enige tekst is die volgens hem een bewijs zou kunnen zijn, acht hij zijn alternatieve lezing waarschijnlijker.
  • Ik meen nog steeds dat het Grieks zijn lezing uitsluit. Voor zijn uitleg moet vers 6 losgetrokken worden uit het verhaal, maar het woord dat dat moet doen, “maar” in de betekenis “niettemin”, doet dat op andere plekken nergens. Sterker nog, het veronderstelt dat het voorafgaande een feit is voor wat volgt. Het versterkt dus juist het chronologische idee. André houdt vast aan een uitleg van de Griekse grammatica die nergens anders zo werkt, en daarmee lijkt het me dat die uitleg niet heel waarschijnlijk is. Als Paulus’ lezers dit gedeelte zonder voorkennis gelezen zouden hebben, dus zonder het “dogma van het voorbestaan van Christus”, maar ook zonder de moeilijkheden en vragen die je erbij kunt hebben, dan hadden ze het denk ik simpelweg gelezen zoals op alle andere plekken waar een serie aoristen staat: chronologisch. Als vers 6 losgetrokken moest worden, dan had dat veel duidelijker uit de context moeten blijken.

Voor het hele vraagstuk van het voorbestaan van Christus is het overigens nodig ook andere teksten te bestuderen die dezelfde suggestie wekken (bijv. Kol 1:15), en de vragen en moeilijkheden te onderzoeken die bijv. André met het idee heeft, maar dat is iets voor een andere keer. In deze discussie en in dit artikel ging het mij puur om wat het Grieks van dit stuk zegt.  Hoewel we in onze discussie geen overeenstemming bereikten – dat was ook niet het doel, het doel is elkaars mening aanscherpen – hebben we wel heel precies de tekst bekeken en alle feiten goed overwogen. Daarom meende ik dat het leerzaam kon zijn dit in een artikel te verduidelijken. Aan de studerende lezer nu om zelf deze feiten te overwegen.

Thijs Amersfoort
Deel met anderen